Liesje Schreuders (Amsterdam, 1979) studeerde cum laude af in de literatuurwetenschap met een doctoraalscriptie over de representatie van het Italiaanse karakter in het werk van Louis Couperus en Henry James. Ze publiceerde twee romans en de bundel 'Onder deze wereld. Modernismen'. Schreuders is een van de vaste columnisten op deze website. Een bundeling van haar columns verscheen onder de titel 'Te vuur en andere verhalen'.
de columns van Liesje Schreuders:
recente columns:
gepubliceerd op 5 januari 2026
Zere vinger

‘The literary critic lives, as we all do, in the post-Heisenberg era, knowing that observation of a given phenomenon changes that phenomenon […] Every work of art, then, requires reinterpretation in the contemporary idiom and against the contemporary concerns of each generation’, schrijft de Amerikaanse classicus Charles Segal in een boek uit 1986.

Amerika, 1986. Maakt dat dan nog wat uit dan? Post-Heisenberg betekent dat we geen onderscheid meer kunnen of hoeven maken tussen synchroon en diachroon lezen, tussen historische context en onze eigen context. Ik lees Charles Segal, de classicus en ik ben in Amerika, 1986. Ik leg de vinger op de zere plek - de atoombom die onze koude wereld regeert - en ik denk shit, er is geen vinger, er is geen zere plek - of liever gezegd, de vinger is de zere plek.

Maar in 1986 was ik precies zeven jaar oud en had ik nog niet leren lezen, of nog niet zo goed. Ik had alles nog niet zo goed geleerd, behalve eten, drinken en het gebruik van metaforen. De moeder van alle metaforen is immers de moeder, en ik had mijn moeder verplaatst overal waar zij niet was, in het huis, het raam, het stuk gracht waar ik met mijn vader langsfietste op weg naar school en waar zij sliep, dacht ik, hoog boven het water - in de school, in de kast met boeken, in de winkel, in het fruit, in de bomen, de lucht, in het eten en gegeten worden, wat alle levende wezens doen en ook de niet-levende wezens zoals boeken.

Ik had mijn moeder in een boek gestopt en ik las haar dagelijks - Ronja de roversdochter, Het Achterhuis, Abeltje, Alleen op de wereld, en ik werd door haar gelezen als ik thuiskwam, op haar schoot klom en tegen haar borst in slaap viel.

Maar wat Segal schrijft, in 1986, over de criticus die ook criticus is van zichzelf, zonder dat hij zichzelf van buitenaf kan bekijken, is dat niet meer dan een metafoor? Een mooie, quantummechanische metafoor? Ja, we leven, als lezers, in het tijdperk na Heisenberg, alle kennis is onzeker en alle zekerheid is relatief en op een goeie dag spatten we uit elkaar van relativiteit en onzekerheid.

Maar tot die dag veranderen onze observaties niet echt het geobserveerde. Of niet méér dan voor die goeie ouwe Heisenberg-tijd. Ik lees, bijvoorbeeld, op dit moment Couperus’ De boeken der kleine zielen en niet iets anders. Ik hou nog evenveel van De boeken der kleine zielen als toen ik het voor het eerst las, honderd jaar geleden. Of nee… hou ik er inmiddels niet méér van? Omdat ik het zo vaak heb gelezen? Of omdat mijn moeder zo van dat boek houdt? Ben ik het daarom gaan lezen?! Ja! Nee! Ik weet het niet!

Heisenberg wist alle metaforen uit. De verandering waar Segal het over heeft, is geen simpele betekenisoverdracht maar een verschuiving: ik zie iets en hoe ik het zie, maakt deel uit van wat ik zie, niet omgekeerd. Dat is metonymie, pars pro toto en totum pro parte, een voortdurende verschuiving van het teken zodat je er de vinger niet op kunt leggen.

De vinger is deel van het lichaam dat naar zichzelf wijst, de wijzende vinger is de aangewezen vinger, de aangewezen vinger om te wijzen is de verwijzing. De vinger kan zichzelf niet op zichzelf leggen. Is er wel een vinger dan?

Er is een foto van mijn moeder als klein kindje van nog geen een, twee jaar. Dat is natuurlijk wel een verschil, een of twee jaar. Een enorm verschil, op die leeftijd. Hoe dan ook, ze staat in een schattig jasje met een schattig mutsje op en ze wijst, vingertje in de lucht, naar iets wat zich schijnbaar alleen in haar blikveld bevindt. Zo ken ik haar. Ze praat met haar vingers. Ze is een docent. Ze wijst. Ze heeft heldere, grote, glanzend-donkere ogen op die foto. De ogen van een kind, nieuwsgierig en toch ook een beetje bang. Want het is begin 1951 en aan de andere kant van de oceaan ontwerpen Edward Teller en Stanisław Ułam iets waarvan de geschiedenis, volgens de Amerikaanse wikipedia, ‘is not completely known, partly because of numerous conflicting personal accounts and also by the continued classification of documents that would reveal which was closer to the truth’, Teller of Ułam. Dat wist mijn moeder natuurlijk al. Of wist ze toen nog dat ze niets weet?

Tot zover de matrix van mijn onzekerheid. Van ieder kunstwerk moeten we de betekenis steeds opnieuw vaststellen, dat is wat Segal schrijft en dat is nog steeds waar, ook na honderd jaar Heisenberg. ‘But each work of art,’ vervolgt Segal in 1986, ‘has also a meaning - or rather a complex of meanings - in its own time and place.’ En hij dringt er bij de criticus op aan die betekenissen te blijven bewijzen: de betekenis van schaamte en eergevoel voor de Ilias, de betekenis van symmetrie en hiërarchie voor de Goddelijke Komedie, de betekenis van de klassieke tragedie voor onze eigen wereld van liefde en geweld, oorlog en vrede.

Inmiddels heb ik een zere vinger van het typen van deze column op mijn telefoon. Hopelijk maakt 2026 de zere vingers van 2025 allemaal goed.

Gelukkig nieuwjaar dus! Blijf onzeker!

Secret Link