Liesje Schreuders (Amsterdam, 1979) studeerde cum laude af in de literatuurwetenschap met een doctoraalscriptie over de representatie van het Italiaanse karakter in het werk van Louis Couperus en Henry James. Ze vervolgde haar studie in Rome. Voorts voltooide ze een master culturele antropologie en sociologie der niet-westerse samenlevingen met een scriptie over de cultuur van de Vijftigers. Ze publiceerde twee romans en verschillende korte verhalen. Ze doceert literatuurgeschiedenis bij verschillende culturele instellingen door het hele land en taalbeheersing in het hoger onderwijs. In 2018 verscheen van haar hand een vertaling van ‘Finisterre’ van Eugenio Montale.
de columns van Liesje Schreuders:
recente columns:
gepubliceerd op 10 december 2018
En dan nog wat

’’Elly was een licht ontvlambare vrouw, en wat haar woest maakte, was dat er totaal geen reden was voor haar agressie.’’

Het was een mooie dag in juli, de laatste dag voor mijn vakantie. Ik had de hele dag lesgegeven over Homerus (ik ben lerares literatuurgeschiedenis en taalbeheersing). Mijn publiek had bestaan uit oude Duitse mannetjes en een enkele oude Duitse vrouw.

Om te ontspannen na het werk dronk ik op weg naar huis een glas wijn op een terras. Daarna kocht ik een fles wijn en een Caesar Salad in een delicatessenwinkel.

Thuis gooide ik de salade op een bord, schonk de wijn in een glas en ging buiten op mijn balkon zitten, met het bord en het glas en een nieuw boek, glimmend van nieuwheid: Duizend-en-een nachtmerries, van Rodaan Al Galidi.

Ik kende Rodaan Al Galidi van zijn vorige boek, een roman waar ik veel nachtmerries van had gehad en daarna was ik een tijdje boos geweest, op wie wist ik niet, maar ik had het verwerkt.

Ik verheugde me op dit nieuwe boek, maar ik was ook een beetje huiverig. Dat kwam natuurlijk door die vreemde titel. Nu was dit een verhalenbundel, dat kon ik de nachtmerries die me in het verschiet lagen misschien ietwat verzachten, of doseren. En de titel was zo in-your-face, hoe erg kon het zijn. Dacht ik.

Het boek bleek toch anders dan ik had gedacht. Het deed inderdaad geen pijn, het was inderdaad grappig en ik lachte een paar keer hardop bij het eerste verhaal, zodat de buren konden horen dat ik genoot van mijn ontspanning. Toen kwam er een wesp om mijn hoofd zoemen.

De wesp zoemde om mijn hoofd, daarna om mijn bord, om mijn glas en daarna om mijn boek. De wesp bleef hardnekkig zoemen en dansen om hoofd, bord, glas en boek, ondanks mijn aansporingen aan hem om weg te gaan. Hij ging op mijn eten zitten en op mijn vork en zelfs op mijn vingers.

Ik legde alles weg, stond op en liep naar binnen. Ik deed de glazen balkondeur dicht en keek door de ruit naar buiten, tot ik de wesp niet meer zag. Daarna ging ik weer naar buiten, zakte neer in de balkonstoel, nam het bord en het boek en las verder.

Het lukte me om het tweede verhaal rustig uit te lezen en een paar keer hardop te lachen (’’hahahaha’’), maar toen kwam die wesp weer. Dit keer had hij een vriendje meegenomen. Met z’n tweeën zoemden ze ongegeneerd over mijn bord, tegen mijn gezicht en in mijn haren; en waar ik mezelf of mijn eten of mijn boek ook bracht op het balkon, de wespen kwamen me achterna en pestten me alsof ik een buiten de boot vallend kind was.

Ik liep weer naar binnen, sloot de deur, wachtte weer tot ik geen wesp meer zag en deed een volgende poging tot ontspanning. Dit keer las ik het derde verhaal bijna uit, zonder te lachen, want ik was te veel afgeleid door het wachten op de wespen en jawel, daar waren ze weer. Met z’n drieën.

’Rot-wespen,’ zei ik hardop, ’waarom zijn jullie hier? Heeft Jurgen jullie soms gestuurd?’ Jurgen was mijn ex.

Ik liet alles liggen, liep naar binnen, sloot de deur en kwam niet meer terug naar buiten.

Pas weken later dacht ik weer aan lezen. Ik was weer alleen, net als de vorige keer, maar inmiddels had ik een paar dagen een minnaar in huis gehad wiens geur nog in de kamer hing en wiens lippen ik nog aan de mijne voelde.

Nu was het zaterdag en was hij even naar zijn vrouw, want dat moest ook. Ik vond het niet echt erg. Ik was moe van het vrijen en van de emoties van gevrijd te hebben en wilde wat ontspannen op mijn bank die mijn vreugde was.

Mijn bank is het grootste meubel in mijn kamer, op mijn boekenkast na (die is echt enorm). Hij is rood en ruim en heel geschikt om er in je eentje languit op te gaan liggen.

Het was nog steeds erg warm in huis, eind september. Een Indian Summer.

Ik kleedde me uit tot op mijn ondergoed, deed een peignoir aan en ging languit op mijn bank liggen. Ik graaide naast me, naar het stapeltje boeken dat daar op een tafeltje lag te wachten en nam het bovenste boek ter hand. Het was Rodaan Al Galidi’s Duizend en een nachtmerries.

Ik herinnerde me goed dat ik al een paar verhalen uit het boek gelezen had, een paar weken geleden, voor mijn minnaar, maar waar ze precies over gingen, toen, wist ik niet meer, dat wil zeggen, ik zou het niet kunnen navertellen. Maar ik herinnerde me dat ik had gelachen en ook nog een andere emotie had gehad. Dus ik begon.

Tijdens het lezen moest ik inderdaad weer vreselijk lachen. Maar bij het zevende verhaal kreeg ik jeuk. Het was een onbestemde jeuk, die ik eerst, om eerlijk te zijn, verwarde met geilheid. Vreemd, want het verhaal was wel grappig, maar niet geil.

Ik krabde een beetje, een paar keer, en ging verder met lezen. Ik lachte, maar moest meteen daarna weer krabben. Ik krabde uitgebreid, las door en lachte.

Ik kwam bij het volgende verhaal, maar nu moest ik het boek wegleggen omdat ik me niet kon concentreren op wat ik las door de jeuk die zich over mijn hele lichaam verspreidde. Ik krabde en krabde. Ik had jeuk tot diep onder mijn borsten, in mijn liezen, en, zo leek het, in mijn hart.

Toen zocht ik een handspiegel, sperde mijn benen open en bekeek mezelf tussen mijn dijen. Daar, in de schaduw, leek alles rood, opgezwollen en geïrriteerd. Ik deed de peignoir verder open en bekeek de rest van mijn lichaam. Het zag er niet goed uit. Tussen mijn vingertoppen jeukte het zo erg dat ik wist wat het betekende.

De huisarts bevestigde mijn zelfdiagnose, de volgende dag. ’’Je hebt schruft.’’

’’De schurft,’’ verbeterde ik, krabbend.

Ze gaf me een zalf en zei dat ik snel zou genezen.

Ik genas. Ik maakte ruzie met mijn minnaar. Ik zei: ’’Jij hebt mij de schurft gegeven!’’

Hij ontkende. ’’Weet je zeker dat er geen ander in het spel is?’’

’’Ja, je vrouw!’’

Woedend drukte ik het telefoongesprek weg. Ik besloot deze onbetrouwbare, liegende man uit mijn leven te bannen.

Weer een paar weken later was ik, eindelijk, eindelijk! – het werd tijd! – op vakantie. Het was een impulsieve beslissing geweest, toch nog. Ik had een heel stapeltje boeken in mijn tas gestouwd, wat kleren en mijn tandenborstel en een warme last-minute via internet geboekt, ver weg uit het koude, herfstachtige land waar ik al mijn hele leven woonde.

Of zo voelde het.

Op een heet strand las ik Rodaan Al Galidi en ik las hem helemaal uit tot het eind, zonder dat er iets gebeurde.

Ik grinnikte een paar keer.

En ik zei hardop ’Ha’, toen het boek uit was.

Maar niemand verstond me, ik was de enige Nederlander.

Daarna las ik het opnieuw.

Die nacht droomde ik in mijn hotelkamer van oude Duitse mannetjes die over Schliemann en Troje praatten.

’’En heeft Homerus zijn werken wel echt selbst geschreven?’’ vroeg het ene Duitse mannetje aan het andere.

’’Dat weten we niet,’’ zei het andere, zonder mij aan te kijken, want ik had geen stem.

’’U zei toch: geschreben. U zei: geschreben.’’

’’Nou ja, bij wijze van spreken dan,’’ antwoordde het andere mannetje.

Toen richtten ze hun blik plotseling op mij. ’’Hoe maakt u een Scheidung tussen orale en geschrebene Kultur?’’

’’Ja, en die orale Kultur, kunnen wij die niet begreifen? Hoe kunnen wij die niet begreifen?’’

’’Ja, ehm,’’ zei ik en schraapte luidruchtig mijn keel, die schor was, ’’die orale Kultur, of die schriftelijke cultuur, ik heb er geen verstand van, het is allemaal één pot nat.’’

’’Maar u scheidt doch duidelijk von sich!’’

’’U scheidt de orale Kultur duidelijk von sich! Von der geschrebene scheidt u! U scheidt!’’

’’Nee,’’ zei ik, ’’ik doe niets... van die aard!’’

’’Genau so,’’ zei de man, die opeens Rodaan bleek te heten, op hem leek en vriendelijk glimlachte. Hij was kalm en genezen van alle schurft. ’’Genau so, precies.’’

’’Bent u Duits?’’ vroeg ik zacht, zonder te lachen.

’’Duits, Irakees, was heisst das dann?’’

’’En dann nog so etwass...’’

Badend in het zweet werd ik wakker.