Liesje Schreuders (Amsterdam, 1979) studeerde cum laude af in de literatuurwetenschap met een doctoraalscriptie over de representatie van het Italiaanse karakter in het werk van Louis Couperus en Henry James. Ze vervolgde haar studie in Rome. Voorts voltooide ze een master culturele antropologie en sociologie der niet-westerse samenlevingen met een scriptie over de cultuur van de Vijftigers. Ze publiceerde twee romans en verschillende korte verhalen. Ze doceert literatuurgeschiedenis bij verschillende culturele instellingen door het hele land en taalbeheersing in het hoger onderwijs. In 2018 verscheen van haar hand een vertaling van ‘Finisterre’ van Eugenio Montale.
de columns van Liesje Schreuders:
recente columns:
gepubliceerd op 21 augustus 2019
Drift

Lang geleden sprak ik een dichter die vond dat er te veel boeken werden geschreven.

‘Hou er dan mee op,‘ zei ik door de telefoon (want hij had me gebeld), maar hij bedoelde niet door zichzelf. Hij bedoelde door anderen. Al zou hij zichzelf onmiddellijk onder die anderen willen scharen. Hij was een romantische dichter.

‘Dat kun je toch niet menen,‘ zei ik, ‘er worden te veel bomen gekapt. Er worden te veel auto‘s geproduceerd. Er worden te veel varkens geslacht. Maar er worden nooit te veel boeken geschreven. Ik hou van boeken. Van jouw boeken. Er kunnen er nooit te veel van zijn.‘

‘Jij houdt van wijn, maar er kan te veel van zijn, dan wordt het azijn,‘ antwoordde de dichter. ‘Jij houdt van de zon, maar er kan te veel zon zijn, dan smelten je vleugels. Jij houdt van geluk, maar er kan te veel geluk zijn en van te veel geluk...‘

‘Ja ja ja. Ik hou van jou, maar er kan te veel van jou zijn,‘ zei ik en hing op.

Een paar dagen later zat de dichter met zijn grote, zwetende dichterslijf in mijn kamer. Een vriend kwam langs en we draaiden platen.

‘Ongelooflijk,‘ zei de dichter tegen mij, ‘dat jij nog zoiets bewaart als een grammofoonspeler!‘

De bezoeker keek hem verbaasd aan.

De dichter schudde vol ontroerde verbazing zijn hoofd. ‘Laat mij maar,‘ zei hij, ‘ik ben uit een ander tijdperk. Ik ben trouwens uit elk tijdperk en trouwens, ik hou niet van dat bohemien-gedoe. Alsof alles wat modern was (toen modern-zijn nog iets betekende), nu cool is omdat het niet meer modern is en dus niets meer betekent.‘

‘Bohémien,‘ zei mijn vriend peinzend.

‘Ja?‘ vroeg de dichter.

‘Als in: “bohemisch”?‘

‘Of als in: “unheimisch”.‘

‘Uitheems.‘

‘Hermeneutisch.‘

‘Hermann ist high.‘

‘Krijg de hermeneutiek.’

‘De pneumatische takker.‘

‘Krijg de waterkering.‘

‘Gistvlokken.‘

‘Ja,‘ zei de dichter, die enthousiast werd, ‘krijg het heen-en-weer.‘

‘Laten we dansen,‘ zei ik, maar niemand reageerde. De rest van de avond ging verloren aan een uitheemse-woordenstrijd. Ze wensten elkaar van alles toe, van apneusverkoudheden tot aandoeningen aan de lyrische affectatieklier. Ik kon net zo goed verdwijnen.

Geloof in roem, schreef hij. Maar hij geloofde er zelf niet in. Holle woorden, loze frasen. Ik heb hem nog één keer teruggezien, opgezwollen van het al-dood-zijn, met een fiets aan de hand. Het was een herenfiets, dubbel gestangd.

Ik mis hem, vagelijk.