‘Laat niemand uit wat ik deed en zei/ proberen af te leiden wie ik was./ Er was een belemmering, die vervormde/ de daden en de wijze van mijn leven,’ zo schreef K.P. Kavafis in 1908, in een gedicht ‘Verborgenheden’ dat tot 1963, dertig jaar na zijn dood, verborgen bleef. Kavafis is zo bekend geworden dat tegenwoordig zo’n beetje iedereen die boeken leest, weet waaruit de genoemde ‘belemmering’ bestond.
Het gedicht zat, samen met andere gedichten, in een map met in het handschrift van de auteur de mededeling ‘niet voor publicatie, maar mag hier blijven’. Andere dingen mochten niet blijven, ze verdwenen uit het archief, door zijn eigen toedoen, of volgens sommige geruchten door toedoen van zijn erfgenamen. Dat archief, streng geselecteerd, maar heel uitgebreid, is een soort lokroep: alles ligt klaar, schrijf mijn biografie.
Peter Jeffreys en Gregory Jusdanis, die zich al hebben bewezen in de Kavafis-kunde, konden die lokroep niet weerstaan, blijkt uit hun Alexandrian Sphinx. The Hidden Life of Constantin Cavafy, ook verschenen onder de titel Constantine Cavafy. A New Biography. Een nieuwe biografie, want sinds 1974 was er al een: Cavafy. A critical biography door de romancier en reisschrijver Robert Liddell, als weinig anderen ingevoerd in de wereld van Kavafis. In het Grieks bestaan er geen volwaardige Kavafis-biografieën, hooguit een soort schrijversprentenboeken waarin zijn archief wordt uitgestort. De oude biografie is met het verschijnen van de nieuwe niet overbodig geworden, maar Jeffreys & Jusdanis schuiven Liddells werk achteloos opzij. Ze verwarren hem, afgaande op het register, zelfs met Henry Liddell, een van de mannen achter een beroemd Grieks woordenboek. In een noot rekenen ze in een paar woorden met hun voorganger af, die zou onder invloed hebben gestaan van Timos Malanos, een vriend van Kavafis die in een vijand veranderde en tot zijn dood in 1984 bittere stukjes bleef produceren.
Jeffreys & Jusdanis hebben Malanos door, ze zijn goed in het reconstrueren van de grote ruzies in de kleine Griekse gemeenschap van Alexandrië. Maar dat is zeker niet de enige reden om hun biografie te prijzen. We volgen Kavafis’ gangen niet alleen in Alexandrië, maar bijvoorbeeld ook in Liverpool (waar hij in 1872 belandde) en in Istanbul (daar vluchtte hij in 1882 heen). Zelfs nemen ze je mee naar zijn sterfbed, april 1933. Men wil de dichter het laatste sacrament toedienen, die voelt daar weinig voor. Tot hij beseft dat er niet zomaar een geestelijke voor de deur staat, maar de patriarch. Kavafis weet wie de patriarch is, de patriarch weet wie Kavafis is, ook dat hij afkomstig is uit een vooraanstaande familie die in verval is geraakt.
Kavafis’ leven lijkt een kalm kanaal, maar in het begin was het een woeste stroom, met overal bedreigende klippen. Kijk naar de verhuizingen tot 1885, het jaar dat hij tweeëntwintig werd. Sindsdien was er een hang naar zekerheid, deze poëet had zijn pensioen wél goed geregeld. Niet voor niets worden zijn gedichten bevolkt door opportunistische overlevers. De woelingen uit zijn jeugd verklaren misschien ook de drang zijn imago niet aan het toeval over te laten, maar dat stevig te sturen. Hij publiceerde zelf zijn gedichten, hoogst persoonlijk bepaalde hij wie wat wanneer kreeg te lezen. Zijn reputatie bewaakte hij angstvallig, als je Jeffreys & Jusdanis mag geloven, richtte hij in dit kader zelfs een tijdschrift op: ‘Om deze reputatie in stand te houden en iets te doen aan het almaar grotere aantal aanvallen dat zijn werk uitlokte, richtte Konstantinos (…) in december 1926 Alexandrini Techni op’. Maar hij gaf er de voorkeur aan ‘by proxy’ terug te slaan, vriendjes in te schakelen ‘like a ventriloquist’.
Het regelen van zijn reputatie hield niet op bij zijn leven, maar ging dus via zijn archivale activiteiten na zijn dood door. De ‘belemmering’ die ‘de daden en de wijze’ van zijn bestaan vervormde, is er niet meer, maar veel sporen zijn – waarschijnlijk voorgoed – uitgewist. In elke beschrijving van Kavafis’ leven ontbreekt zodoende onvermijdelijk vrijwel zijn hele liefdesleven. Misschien kunnen we juist daardoor zíjn erotische gedichten, zonder namen, zelfs zonder veel details, eeuwige liefde voor één minuut, ook als ónze erotische gedichten ervaren. Jeffreys & Jusdanis hebben de sfinx aan het praten weten te krijgen. Of is het andersom? Ook de biografen zijn ingezet als buiksprekers, die ‘by proxy’ verkondigen: lees deze poëzie.
