Liesje Schreuders (Amsterdam, 1979) studeerde cum laude af in de literatuurwetenschap met een doctoraalscriptie over de representatie van het Italiaanse karakter in het werk van Louis Couperus en Henry James. Ze vervolgde haar studie in Rome. Voorts voltooide ze een master culturele antropologie en sociologie der niet-westerse samenlevingen met een scriptie over de cultuur van de Vijftigers. Ze publiceerde twee romans en verschillende korte verhalen. Ze doceert literatuurgeschiedenis bij verschillende culturele instellingen door het hele land en taalbeheersing in het hoger onderwijs. In 2018 verscheen van haar hand een vertaling van ‘Finisterre’ van Eugenio Montale.
de columns van Liesje Schreuders:
recente columns:
gepubliceerd op 23 juni 2019
Daniël in de keuken

In het kader van ’terug naar de jaren tachtig’ herlees ik de bundel Agnes van Peter van Straaten. Ik was tien of elf toen die verhaaltjes wekelijks in Vrij Nederland verschenen, over een Amsterdamse vrouw met een ’slordig leven’. Meer nog dan van de vorm was ik destijds onder de indruk van de inhoud. Zoals Agnes, zo wilde ik later ook worden. Dat is aardig gelukt.

Maar helemaal lukt het nooit, ben ik bang, want vrouwen zoals Agnes bestaan niet meer. Feuilletons zoals Agnes. Scènes uit een slordig leven worden ook niet meer geschreven. Zou dat komen omdat er geen slordige levens meer zijn? Dat denk ik niet. Agnes’ slordige leven is echter een typisch product van de jaren tachtig, die, zoals bekend, de jaren zeventig opvolgden en op hun beurt door de jaren negentig werden opgevolgd.

Agnes is in de dertig, heeft een zoon, woont in een onopgeruimd huurhuis in het centrum, heeft geen werk, geen geld, wel wat vrienden van wie ze altijd iets kan lenen. Ook heeft ze een knipperlichtrelatie (wat toen nog niet zo heette) met de onbestemde Arthur. De vader van haar zoon is cafébaas Daan, die zich moeilijk bij hun scheiding kan neerleggen. Relaties, seks, anticonceptie en geslachtsziektes spelen een grote, maar oppervlakkige rol in Agnes’ leven. Om het hoofd boven water te houden poft ze bij winkels en drinkt grote hoeveelheden wijn. Ze leest kranten, zet koffie en kijkt tv. Soms komen mensen slapen, soms brengt ze haar kind naar haar moeder. Onderstaande dialoog is typerend:

’Ik ben een beetje dronken,’ zei [Agnes] en wankelde even, als om het te demonstreren. Ze giechelde.

’Wie niet?’ zei Victor. In de keuken kwam Henk naar haar toe.

’Kan ik je helpen?’ zei hij zachtjes. Hij legde een intieme klank in zijn stem. Hij viel niks mee, zo in het keukenlicht, vond Agnes. Hij lijkt op een lama, stelde ze vast. Een lama met een bril op.

’Je mag deze wijn openmaken,’ zei Agnes, ’hier heb je de kurketrekker.’

Hij begon zeer zorgvuldig het randje lood van de fles te verwijderen en trok daarna met langzame, trage bewegingen de kurk eruit. Al die tijd speelde er een vage glimlach om zijn mond.

Toen ze de kamer weer binnenkwamen waren Victor en Dirk in een discussie gewikkeld over de betekenis van het Socialisme voor de Kunst. Henk mengde zich af en toe in het gesprek, maar staarde de meeste tijd naar Agnes.

’Wat kijk je toch naar me?’ zei Agnes. Bijna had ze gezegd: ’Heb ik iets van je aan?’ maar ze kon het nog net binnen houden.

’Mag dat niet?’ antwoordde hij zachtjes en glimlachte hulpeloos. Het punkmeisje had een stripboek van Daniël gepakt en lag te lezen. Agnes probeerde eerst nog het gesprek te volgen, maar na twee glazen wijn begon ze weg te doezelen.

Vooral hoe Agnes omgaat met verantwoordelijkheid (niet) heeft me destijds geboeid, besef ik nu. Voor Agnes is alles allang voorbij: de onschuld, voorbij het cliché, een (slap) aftreksel van een aftreksel van een aftreksel. Ze leeft volledig in het moment, om het maar op z’n jaren negentigs te zeggen, maar welk moment dat is, weet niemand. Ze is verliefd op Arthur, maar Arthur komt en gaat wanneer hij wil. Agnes accepteert deze droplulligheid zonder eraan ten onder te gaan. Haar zoon heeft geen vriendjes op school, ook dat is treurig, hartverscheurend zelfs, maar zoiets kan gebeuren en je doet er niks aan. Agnes’ ouders zijn ouderwetse mensen – logisch, het zijn haar ouders. En van tijd tot tijd wil er een vreemde, danwel vriendelijke man met haar naar bed. Zou ze daar nou zo moeilijk over doen? (’Waarom dóe ik dit? dacht Agnes, terwijl Willem op haar zwoegde. Ze besloot dat ze het deed uit hartelijkheid.’)

Dit alles zonder pretentie, kalm, realistisch. Het gaat er niet om wat Agnes doet in haar leven, het gaat erom hoe ze het doet. Agnes mag dan slordig zijn, de verteller is dat niet. Hij neemt de tijd.

Heel soms vindt Agnes betaald werk in een boetiek of als hulpje van een bevriende kunstenaar. ’Opleiding’, ’succes’, ’ambitie’ - die woorden komen niet in haar vocabulaire voor. Ad rem is ze daarentegen wel. Na haar avontuurtje met Willem gaat Agnes uit eten ’bij de Italiaan’, drinkt drie sambuca’s en komt dan, na lange tijd, Arthur weer tegen.

’Niet zeggen: dat is lang geleden,’ zei Arthur terwijl hij haar kuste.

’Welnee,’ zei Agnes, ’het was gisteren.’

Daarmee toont Agnes haar ware aard. Ze liegt niet, voor haar was het ’gisteren’ – en ze spreekt niet de waarheid, want het is altijd vandaag. Op die manier belichaamt Agnes de kwintessens van het postmodernisme, althans zoals Umberto Eco het beschreef, als:

’... de houding van iemand die houdt van een zeer ontwikkelde vrouw en die weet dat hij niet tegen haar kan zeggen "ik houd waanzinnig veel van je", omdat hij weet dat zij weet (en dat zij weet dat hij weet) dat Liala deze woorden al heeft geschreven. Toch is er een oplossing. Hij zou kunnen zeggen: "Zoals Liala zou zeggen, ik houd waanzinnig veel van je." Als hij zover is, als hij de valse onschuld heeft vermeden en duidelijk heeft gezegd dat je niet meer op een onschuldige manier kunt praten, zal hij echter toch tegen de vrouw gezegd hebben wat hij wilde zeggen: dat hij van haar houdt, maar dat hij van haar houdt in een tijd waarin de onschuld verloren is gegaan. Als de vrouw het spel meespeelt zal zij toch een liefdesverklaring hebben gekregen. Geen van de twee gesprekspartners zal zich onschuldig voelen, beiden hebben ze de uitdaging van het verleden aangenomen, van het reeds gezegde dat niet meer uitgewist kan worden, beiden zullen bewust en met genoegen het spel van de ironie spelen...’

Wat was het leven toch een avontuur, toen dat spel nog met genoegen kon worden gespeeld. Toen het woord ’onschuld’ nog een betekenis had (die echter verloren was gegaan) en de rekening op de cafétafel achtergebleven. Toen je de telefoon nog kon opnemen zonder te weten wie er belde. Toen je nog van een ’zeer ontwikkelde vrouw’ kon houden, terwijl jij wist dat zij wist dat jij wist dat jij nóg ontwikkelder was dan zij. Brave old world.

De hierboven geciteerde scène, die met de kurketrekken en het punkmeisje, eindigt met Agnes’ ontwaken op de bank:

Ze werd wakker doordat de zon in haar ogen scheen. (...) Naast haar lag de man met de lok. Hij had zijn bril afgezet en voor zich op de tafel gelegd. Zijn hoofd lag tegen Agnes’ schouder. Hij snurkte licht. Zijn hand lag op haar dij, de wijsvinger gestrekt. Het was duidelijk dat hij halverwege zijn toenaderingspoging door plotselinge slaap was overvallen.

Uit de keuken kwam Daniël, een boterham in zijn hand. Op zijn tenen sloop hij naar Agnes toe.

’Mamma,’ fluisterde hij, ’wie is dat?’