Liesje Schreuders (Amsterdam, 1979) studeerde cum laude af in de literatuurwetenschap met een doctoraalscriptie over de representatie van het Italiaanse karakter in het werk van Louis Couperus en Henry James. Ze vervolgde haar studie in Rome. Voorts voltooide ze een master culturele antropologie en sociologie der niet-westerse samenlevingen met een scriptie over de cultuur van de Vijftigers. Ze publiceerde twee romans en verschillende korte verhalen. Ze doceert literatuurgeschiedenis bij verschillende culturele instellingen door het hele land en taalbeheersing in het hoger onderwijs. In 2018 verscheen van haar hand een vertaling van ‘Finisterre’ van Eugenio Montale.
de columns van Liesje Schreuders:
recente columns:
gepubliceerd op 10 maart 2020
Zoals gezegd

Opmerkingen over overeenkomsten tussen Max Havelaar en De Stille Kracht

Wat zijn, in kort bestek, de belangrijkste overeenkomsten tussen de twee beroemdste koloniale romans van de Nederlandse literatuur, in hun visie op het kolonialisme? Hoe kunnen we die overeenkomsten duiden?

Zowel in Max Havelaar (1860, MH) van Multatuli als in Couperus’ De stille kracht (1900, SK) hebben we te maken met een ambitieuze en plichtsgetrouwe Nederlandse bestuursambtenaar, in het geval van Multatuli een assistent-resident, in het geval van Couperus een resident, die een corrupte inlandse bestuursambtenaar, in beide gevallen een regent, ter verantwoording roept of wil roepen, straft of wil straffen, omdat hij meent dat hij hiertoe van hogerhand zowel het recht als de plicht heeft.

In het geval van Multatuli is de corruptie van de regent van zeer ernstige politieke aard (de regent berooft en mishandelt de bevolking), in het geval van Couperus ‘slechts’ van zedelijke aard (de regent maakt speelschulden en is vaak dronken). In beide gevallen gaat de Nederlandse bestuursambtenaar ervan uit dat het recht aan zijn kant staat en dat hij juist handelt zoals hij handelt. In beide gevallen trekt hij echter aan het kortste eind en men zou kunnen zeggen dat beide boeken dan ook over de tragische ondergang van een Nederlandse koloniale ambtenaar in Indië gaan.

Het belangrijke verschil tussen de twee boeken is echter dat de assistent-resident in de MH duidelijk ten onrechte ten onder gaat: het recht stond namelijk inderdaad aan zijn kant; hij had gelijk. Hij verliest zijn positie alleen omdat dit recht door anderen, namelijk zijn Nederlandse superieuren, niet wordt erkend en zelfs wordt tegengewerkt. Als hij zijn gelijk had kunnen halen, als hij zijn eigen positie had kunnen handhaven, dan zou hij ook de roofzucht van het zgn. cultuurstelsel van binnenuit hebben kunnen tegengaan en was er geen reden geweest om dit te bestrijden.

In de SK echter moet de resident inzien, en ziet dan ook in, dat de gebeurtenissen, het drama van zijn koloniale carrière niet anders hadden kunnen verlopen dan ze zijn verlopen en dat hij zich persoonlijk heeft vergist. De Nederlandse bestuursambtenaren (door hem ‘kanninefaten’ genoemd) hebben helemaal niets te zoeken in Indië. Zij kunnen ook niets aan de toestand veranderen, want zo ver reikt de macht van één mens niet. Een in wezen antikoloniaal fatalisme dus, dat volkomen tegengesteld is aan het antifatalistisch paternalisme van de negentiende-eeuwse koloniaal bestuurder die Douwes Dekker óók was.

Deze conclusie blijft echter voor rekening van de resident in de SK, en blijft ook grotendeels impliciet, althans ze wordt mystiek beargumenteerd. Ze wordt in elk geval niet ‘vertaald’ naar een politiek standpunt over het kolonialisme in het algemeen of het Nederlandse koloniale bewind in het bijzonder. Couperus schrijft literatuur, geen pamflet.

Hoe dan ook blijft het treffen, hoewel niet verbazen, dat zowel Multatuli als Couperus de ‘schuld’ van de vele opstanden, armoede, honger, misstanden etc. die hun tijd in Indië kenmerkten waarvan ze – terloops of minder terloops – melding maken, in de eerste plaats bij de corrupte inlandse bestuurder legt. Dat Couperus, of liever diens personage, de resident, inziet dat het inlandse bestuur, corrupt of niet, toch meer ‘recht’ heeft op de macht dan het Nederlands bestuur, eenvoudigweg ómdat het inlands is, doet hier niets aan af. De directe relatie tussen de slechte situatie waarin de bevolking leeft, de corruptie van de regenten aan de ene en de Nederlandse koloniale politiek aan de andere kant wordt door Couperus niet expliciet gelegd. Er is in de SK geen sprake van verkeerd handelen door Nederlandse ambtenaren. De fout van de resident ten slotte is blindheid, niet slechtheid – zijn ondergang is een noodlot, geen politieke rechtvaardigheid.

In de MH is het zoals gezegd puur onrecht, waardoor de assistent-resident gedwongen wordt zijn ontslag in te dienen en ten val komt. Het grootste onrecht daarbij vindt zijn oorsprong, ook zoals gezegd, bij de regent die knevelt, uitbuit en opdracht geeft tot moord. Door de MH blijft steeds de idee sluimeren dat als iedereen, Nederlands of inlands, met meer of minder macht bekleed, groot of klein, maar iedereen, oprecht en eerlijk zou handelen (i.e. naar Max Havelaars opvattingen daarvan), er geen enkel probleem zou zijn in Nederlands-Indië.

Dit idee blijft weliswaar wanhopig en illusoir, omdat ‘oprecht en eerlijk handelen’ helemaal geen doel is van het koloniaal bestuur, dat immers zelfverrijking en uitbuiting tot doel heeft – zoals Multatuli, of liever zijn verteller Stern, duidelijk en expliciet vermeldt. Maar leidt deze vaststelling van de ware bedoeling van het koloniaal bestuur tot de definitieve conclusie dat de corruptie van de regent een direct gevolg is van het feit dat het bestuur Nederlands is? Nee. Het Nederlandse bestuur moet zijn beleid, zijn doelstellingen, zijn politiek kortom, bijstellen – naar de letter van zijn wet – en dan komt het vanzelf goed.

(Ten overvloede: in de SK komt wel het idee, zoals gezegd, naar voren dat het bestaan van ‘Nederlands-Indië’ zélf het probleem en een illusie is; een oxymoron dat zichzelf niet in stand kan houden, al zou het willen. Helaas wordt de oorzaak hiervan dan weer niet gelegd bij het onoprecht en oneerlijk, dus ondraaglijk zijn van het (elk) koloniaal systeem, maar bij een mystieke ‘onverdraaglijkheid’ die cultuurgebonden is; ‘Oost en West zullen elkaar nooit vinden’, ‘rassenvermenging leidt tot degeneratie’, het ene ‘bloed’ sluit het andere ‘bloed’ uit, of iets in die onnavolgbare, Kiplingiaanse trant.)

Ik wil niet beweren dat zonder de MH de SK niet geschreven zou zijn, maar wel dat de twee boeken, hoewel zo heel anders van toon, inzet en uitwerking, in elkaars verlengde liggen. Geen van beide boeken veroordeelt volmondig en expliciet het kolonialisme als systeem of het Europese superioriteitsdenken dat daarachter stak. Toch laten beide op eigen manier zien wat de kwade gevolgen van dit koloniaal imperialisme waren in wat nu Indonesië is.

Is het nu de vraag of de inlandse bestuurder oprecht en eerlijk jegens zijn bevolking zou hebben gehandeld, als hij zijn macht niet had moeten delen met, of in feite afstaan aan, buitenlandse veroveraars? Sommigen zullen zeggen dat dat inderdaad de vraag is; dat het antwoord op die vraag ‘nee’ luidt en dat het dus niet uitmaakt of de regent in de MH of de regent in de SK het hoofd moest buigen voor buitenlands gezag. Zonder dat gezag was de bevolking er immers niet veel beter aan toe geweest, of slechter nog...

Dit zijn dezelfde mensen die zullen zeggen dat de corruptie van een politieagent in Afghanistan niets te maken heeft met de vraag of die agent getraind is door Nederlandse militairen en of zijn wapen, uniform, salaris etc. bekostigd zijn met Nederlands geld. Zij zullen van mening zijn dat de Nederlandse militairen vrede en vooruitgang (scholen! waterputten! vrouwenemancipatie!) hebben gebracht in Afghanistan, zoals zij ook vrede en vooruitgang brachten in Nederlands-Indië.

Het verhaal, beste lezer, blijft eentonig.