‘Wat, alweer een generaal?‘ Ja, dat soort vragen komen er nu ik na Van Heutsz en Van Daalen de biografie schreef van Van der Heijden.
De vraag lijkt op: ‘Wat, wil je nu alweer een boek kopen? Je hebt er al een.‘ Met generaals is het als met boeken: ik heb er nooit genoeg van.
Toch begrijp ik de achterliggende emotie wel. In het tegenwoordige moreel-maatschappelijke klimaat is weinig ruimte voor KNIL-officieren die goed waren in het gebruik van militair geweld en die daarvoor beloond werden met verschillende onderscheidingen. Zulke mannen vergeten we liever. Of we gaan ze framen, zoals het heet, als botte houwdegens actief in de Oost, die heel anders waren dan wij intelligente mensen in het moederland, die altijd al begrepen dat het koloniale idee fout was.
Mijn leven was een stuk eenvoudiger toen ik nog over Indische damesromans schreef. Het publiek was welwillender. Ik ontmoette sympathie. Gaf ik een lezing, dan keek ik in vriendelijke gezichten. Dat is nu anders. Soms zijn de mensen bang voor mij.
Even terug sprak ik over de laatste biografie, Generaal Eenoog, in Den Haag. Alles kwam aan de orde: de gewelddadige expedities, de vrijmetselarij, de gunst van het koningshuis, hoe hij commandant van Bronbeek werd enzovoort. En omdat ik in Den Haag stond, had ik mijn lezing extra afgestemd op het Haagse verleden, en kon ik in woord en beeld aantonen hoezeer de stad indertijd de generaal op handen had gedragen. Daar had een nationale huldiging plaatsgevonden, volksmassa‘s wilden hem toejuichen, de stad hield van hem. Minus zijn tegenstanders, die de messen al aan het slijpen waren. Na afloop van de lezing was er ruimte voor vragen en aanvullende opmerkingen.
Toen voelde ik het.
Een innerlijk terugdeinzen van de mensen die dit alles tot zich hadden genomen.
Ik had onaangename gedachten in het leven geroepen, over wat zich in de Hofdstad had afgespeeld, een handvol generaties geleden. Het was net, of ik had gezegd, dat ook zij de generaal Van der Heijden op handen droegen. Er kwamen vragen met een ondertoon van verlangen om te horen dat hij toch wel wist dat hij fout was, en hopelijk vond ik dat ook wel. Het antwoord gaf ik opgewekt: dat de generaal overtuigd was van zijn gelijk en dat de verleende onderscheidingen dat in zijn beleving onderstreepten. Zo maak ik geen vrienden, blijkt. Al helemaal niet omdat ik me niet laat opsluiten in het denken van smalle dader-slachtoffer perspectief. Het is voor mij onbegrijpelijk dat het koloniale systeem bestond en zo lang houdbaar was, dus dat maakt hetgeen er in dat systeem gebeurde interessant. Verder ga ik niet met het moraliseren. Wie meteen een oordeel heeft, ziet minder.
En als ik ergens door gedreven ben, dan is dat door een verlangen om Indië te begrijpen, in zoveel mogelijk opzichten.
