Liesje Schreuders (Amsterdam, 1979) studeerde cum laude af in de literatuurwetenschap met een doctoraalscriptie over de representatie van het Italiaanse karakter in het werk van Louis Couperus en Henry James. Ze vervolgde haar studie in Rome. Voorts voltooide ze een master culturele antropologie en sociologie der niet-westerse samenlevingen met een scriptie over de cultuur van de Vijftigers. Ze publiceerde twee romans en verschillende korte verhalen. Ze doceert literatuurgeschiedenis bij verschillende culturele instellingen door het hele land en taalbeheersing in het hoger onderwijs. In 2018 verscheen van haar hand een vertaling van ‘Finisterre’ van Eugenio Montale.
de columns van Liesje Schreuders:
recente columns:
gepubliceerd op 24 mei 2020
Knevelarij in het Multatuli-jaar

Zou de Minister van Financiën Max Havelaar hebben gelezen? Of zouden de staatssecretarissen Vijlbrief en Van Huffelen aan dit beroemde boek uit 1860 gedacht hebben, toen ze afgelopen dinsdag aangifte deden tegen (delen van) de Belastingdienst wegens discriminatie en knevelarij?

‘Knevelarij’ is een van de voornaamste aanklachten in Max Havelaar, het boek dat in 2002 door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde op nr. 1 van hun Canon werd geplaatst. De schrijver Multatuli, alias Eduard Douwes Dekker, werd in maart precies 200 jaar geleden geboren, wat dit jaar uitgebreid wordt gevierd.

Toch doken de afgelopen dagen her en der duidingen op van dit ‘ouderwets’ (NPO) of ‘oubollig’ genoemde misdrijf. Het advies van extern deskundige mr. Biemond kwam voorbij, die onderzoek deed naar de fraudezaak bij de afdeling Toeslagen en andere fiscale ‘Managementteams’. Het ministerie haastte zich de pers te verzekeren dat er vooralsnog geen personen worden vervolgd, alleen de Belastingdienst zelf, maar dat er wel ‘passende maatregelen’ worden genomen. Alsof er bij de Belastingdienst geen mensen werken.

De staatssecretarissen benadrukten niet wat het advies van extern deskundige Biemond heel duidelijk maakt, namelijk dat ze eenvoudigweg de plicht hadden aangifte te doen tegen de eigen ambtenaren. Dit staat in artikel 162 lid 1 a van het Wetboek van Strafvordering. Een ambtenaar die ‘kennis krijgt’ van een ambtsmisdrijf moet dit aangeven bij het OM, onverwijld ook nog. Volgens Biemond brengt art. 162 lid 1 Sv tot uitdrukking ‘dat op ambtenaren een bijzondere verantwoordelijkheid rust ten aanzien van de waarborging van de integriteit van de overheid en haar organen’.

Het Ministerie had dus geen keuze, het moest wel. Oubolligheid of niet.

Ook Dekker/Multatuli had geen keuze. Hij schreef zijn boek, met als ondertitel ‘de Koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy’, nadat hij als ambtenaar in conflict was gekomen met zijn superieuren over de uitoefening van het ambt, en hij dientengevolge ontslag had genomen. Het conflict ging over de beschuldiging die Dekker had geuit tegen een mede-ambtenaar, Karta Nata Negara, de regent van Lebak, over wie Dekker als assistent-resident formeel het gezag had gevoerd. Hij had de regent van machtsmisbruik beschuldigd en verdacht hem onder andere van knevelarij.

Waar deze verdenking op was gebaseerd, blijkt uit de Max Havelaar – en uit de overgeleverde officiële stukken die Dekker heeft gebruikt. Volgens Dekker inde de regent van Lebak belastingen bij de bevolking in natura, zoals buffels en andere goederen, terwijl dit niet mocht. Ook liet de regent arbeidskrachten oproepen om zijn erf schoon te maken, het gras te snijden en zijn eigen grond te bewerken. Deze diensten waren onbezoldigd en bovendien onreglementair; ze vielen niet onder de ‘heerendiensten’ die door het Binnenlands Bestuur in hun reglementen waren opgenomen. Daar zat dus bestuursdwang achter.

Het onder dwang opeisen van goederen waar niet voor betaald wordt, noem je roof. Als het door een ambtenaar gebeurt, kan het ‘belasting’ heten wanneer het wettelijk gesanctioneerd is; ‘knevelarij’ wanneer dit niet het geval is.

Als er geen wettelijke grondslag bestaat voor het innen van belastingen, maakt de ambtenaar die dit toch doet, zich schuldig aan een misdrijf. En niet zomaar een misdrijf: omdat de ambtenaar dit misdrijf begaat als ambtenaar, telt de roof des te zwaarder. Het is immers misbruik van gezag. Zoals iedere Nederlander inmiddels weet, die althans zijdelings betrokken is bij de fraudezaak van het Ministerie, heeft dit zeer ernstige en maatschappelijk ingrijpende gevolgen.

Knevelarij, als ambtsmisdrijf, bestond al in de tijd van Dekker, zo schrijft rechtshistoricus Tom Phijffer in Het gelijk van Multatuli (2000, p. 26). Maar hij voegt eraan toe: ‘Inlandse hoofden en hoge ambtenaren konden daarvoor echter niet zomaar vervolgd worden.’ Daarvoor was namelijk speciaal verlof van de Gouverneur-Generaal nodig, de hoogste baas in Indië, die de ‘inlandse hoofden’ ook op eigen houtje benoemde en ontsloeg.

De Gouverneur-Generaal op zijn beurt was niet aan wetten en regels gebonden; er bestond indertijd geen legaliteitsbeginsel in Indië. Hoe zou het ook gekund hebben? Indië was een ‘wingewest’, geen soevereine staat met een grondwet, zoals Nederland.

Er waren ten tijde van de zaak-Lebak weliswaar discussies gaande over de beginselen waaraan het Nederlandse bestuur op Java zich zou moeten houden en de manier waarop deze beginselen in de wet geregeld moesten worden. Er ontstond aan het begin van de negentiende eeuw, om met Phijffer te spreken, zelfs een soort ‘koloniaal rechtsbewustzijn’ (p. 36). Maar dit rechtsbewustzijn hield op bij het nadenken over de positie van de inlandse vorst en hoe daarin te ‘schipperen’. Van enige bescherming van de bevolking tegen de alomtegenwoordige dwang en het misbruik van haar bestuur was geen sprake.

Waarom dat zo was, moge duidelijk zijn. Het Nederlandse bestuur had de inlandse vorsten nodig als ‘ambtenaren’, om de primaire doelstelling van het koloniale bewind, namelijk het maken van winst voor het moederland, te verwezenlijken. De Staat – het Nederlandse bewind in Indië – was er immers niet voor het volk, maar het volk voor de Staat.

Bovenop de al bestaande belastingen (‘landrenten’, ‘heerendiensten’) moest er sinds 1830 minimaal een vijfde van de grond verbouwd worden met ‘cultuurproducten’, zoals koffie, die door de Nederlandse overheid werden geïnd en met winst verhandeld, aangezien ze het monopolie hield op deze handel. Dit noemde men het Cultuurstelsel. Zowel ‘Europese’ als ‘inlandse’ ambtenaren, belast met de uitvoering van en toezicht op dit stelsel, deelden in die winst via zogenaamde cultuurprocenten of -emolumenten. De baten vloeiden via de Nederlandse Handelmaatschappij, de voorloper van de ABN, direct in de nationale schatkist.

In 1859, het jaar dat Multatuli zijn boek schreef, leverde de koloniale handel zo een derde van het hele staatsinkomen van Nederland. Bedenk hierbij dat er nog geen inkomstenbelastingen bestonden! De Maatschappij en het Cultuurstelsel fungeerden dus als een "grote hefboom, strekkende tot opbeuring en aanmoediging van de nationale welvaart", zoals Koning Willem I bij de oprichting ervan had beoogd en betoogd.

Dit was het ‘pompmechanisme’ van het kolonialisme, zoals Multatuli het (wellicht in navolging van de koning) noemde.  Uit zijn beschrijving ervan in de Max Havelaar wordt duidelijk waar dit mechanisme uiteindelijk op neerkwam: roof, uitbuiting, slavernij, moord en volkerenmoord. Wie hiervan melding wilde maken, aangifte wilde doen, omdat hij of zij vond dat het niet zo hoorde en niet mocht, werd hardhandig teruggefloten.

Het kolonialisme betekende kortom wetteloosheid op grote schaal.

‘Moet een ondergeschikte zwijgen?’ vraagt Phijffer zich af in zijn hierboven geciteerde boek over Multatuli ‘in rechtshistorisch perspectief’. De vraag lijkt eerder of een ambtenaar mag zwijgen.

Phijffer over “de zaak-Lebak”, p. 121: ‘Waar kennelijk de regering er niet in geslaagd was het ambtenarenapparaat de beginselen bij te brengen die het in acht had te nemen, liepen ’s lands dienaren na het verschijnen van de Havelaar weg met de ideeën van Multatuli. Men was doordrongen van recht en rechtvaardigheid, met de neus op de feiten gedrukt. Men kon de ogen niet langer sluiten voor misbruiken. (…) Het ging (…) om een principe: hoe wenste het Gouvernement dat men zich van zijn taken kweet; al schipperend of met gestrenge naleving van beginselen?’

Ook nu is de regering er kennelijk niet in geslaagd het eigen ambtenarenapparaat behoorlijke beginselen bij te brengen, als ambtenaren, of als (menselijke) personen. Dat ze zo lang heeft gewacht met het doen van aangifte, is daarvan een veeg teken. De gevolgen zijn natuurlijk minder groot of ernstig dan in het geval van Max Havelaar. Het misdrijf waar grote groepen arme mensen, zonder enige schuld, het slachtoffer van lijken geworden, is echter in principe hetzelfde.

Laten we dus hopen dat de betrokken ‘regenten’ of topmanagers zo snel mogelijk worden ontslagen en dat er niet, zoals na het verschijnen van de Max Havelaar, wat onderknuppels voor hun misdrijven moeten opdraaien, waarna we allemaal weer back to business gaan, met wat extra regels en bezoldigde managers in het fiscale kader om de zaak voor de bühne nog wat ‘ethischer’ te maken.

Als er inderdaad sprake is van knevelarij en discriminatie, zoals destijds op Java het geval was – en anders dan toen, kan daar nu een onafhankelijk rechter over oordelen.