Tom Phijffer (1965) is naast advocaat te Amsterdam ook literator. Hij publiceerde 'Het gelijk van Multatuli. Het handelen van Eduard Douwes Dekker in rechtshistorisch perspectief' (2000), 'Het masker van Rob Nieuwenhuys. Reconstructie van een vergeten reis naar Indonesië' (2020) en 'Vuur, vuur! Over het leven van Oost-Indisch ambtenaar Edouard Carolus (1807-1855)' (2021). Onlangs verscheen zijn vierde boek bij Uitgeverij Verloren, 'Goena goena in Lebak. Over njonja Slotering en Max Havelaar'.
de columns van Tom Phijffer:
recente columns:
gepubliceerd op 10 april 2026
Over ‘Karakter’

Herinneringen zijn onbetrouwbaar. Ik zit op de bank met een boek in de hand en staar voor me uit. Recent droomde ik over mijn vader. Hij was me komen opzoeken. In mijn droom. Hij keek me recht in de ogen. Staalblauwe ogen had hij, waarin het licht al ruim zeven jaar geleden is gedoofd. Hij boog zijn hoofd naar me toe, zodat onze voorhoofden elkaar raakten. Het had iets intiems. Gek was het, heel gek. Zo dicht bij hem was ik nooit geweest. Wat wilde dit zeggen? Ik vroeg het, verbaasd: “Hey, wat kom je doen?” Hoe vaak had hij mij bezocht? Niet vaak. In mijn dromen? Nooit. Hij gaf geen antwoord.

Dromen hebben voor mij geen betekenis. Althans dat dacht ik altijd. Mijn vader hield altijd een zekere afstand, zonder daarmee harteloos te zijn. Hij toonde zijn emoties nauwelijks. Ik hield van mijn vader. Keek tegen hem op. Hij werkte hard. Net als ik. Maar dat is geen excuus.

Enkele dagen vóór de droom bezoek ik Antiquariaat A. Kok & Zoon in de Oude Hoogstraat in Amsterdam. Ik ben op zoek naar een van mijn favoriete boeken: Karakter van F. Bordewijk. Ik hoop een van de eerste drukken te vinden, met het felrode omslag. De leeservaring krijgt iets extra’s als een boek mooi uitgegeven is, door een ruime bladvulling, fijne lettergrootte en fraaie typografie. Een prachtig voorbeeld van zo’n fijn boek is de wijze waarop de eerste drukken van Arthur van Schendel’s Het fregatschip Johanna Maria vormgegeven zijn. In een pocketuitgave staat dezelfde tekst, maar de woorden hebben in zo’n versie toch minder betekenis, geven minder genot.

Ik ben met verschillende boekjes over E. du Perron van het antiquariaat thuisgekomen. Boeken van Bordewijk hadden ze niet, of ik keek verkeerd. Ik pak mijn exemplaar van Karakter uit de kast. De negenentwintigste druk uit 1991. Ik las Karakter als jong advocaat. Ik herinner me de dag dat ik het boek van mijn vader kreeg. Dat maakte het zo bijzonder. Dat zit hem in de ondertitel: ‘roman van zoon en vader’. Ook hij was advocaat, sinds 1959. Bordewijk was ook advocaat. Zijn zoon Robert was het eveneens. Mijn vader had me altijd gewaarschuwd: “Dit beroep is niets voor jou. Geloof me, ik kan dat als je vader het beste beoordelen, beter dan wie ook”. Maar toen ik het uiteindelijk toch was geworden kwam hij met dat boek van Bordewijk naar Amsterdam, nu 34 jaar geleden. Hij was op dat moment zestig jaar oud, net als ik nu. Een roman van de vader voor zijn ambitieuze zoon.

De sfeer die Karakter oproept is die van mijn jeugd in Nijmegen. Dat komt door de beschrijving van het advocatenkantoor van de koele, autoritaire Mr Stroomkoning en de sportieve meegaande Mr De Gankelaar, de curator van Katadreuffe. En van de andere daar werkzame personen, zoals juffrouw Te George. Door een speling van het lot komt Katadreuffe op dat kantoor te werken, eerst als klerk. Hij woont boven het kantoor. Dit heeft met mijn jeugd niets te maken. Ook niet met deurwaarder Dreverhaven. Eind jaren zestig - ik was nog klein - hield mijn vader kantoor aan huis. Dat was in die tijd nog heel normaal. In dat huis ben ik geboren, zoals ook mijn zussen en mijn broer. De eerste verdieping was als kantoor ingericht. De woonvertrekken bevonden zich op de begane grond, en de slaapkamers op de bovenste verdieping. Zelden waren er “toestanden”. We werden niet opgesloten, maar we moesten overdag na schooltijd muisstil zijn. Cliënten konden na de voordeur en de hal met glazen deur direct de trap op naar boven. Het toilet was echter op de begane grond. Dat werd gedeeld. Als een brief moest worden gestuurd kwam de secretaresse met een blocnote en pen om de inhoud ervan op te tekenen, in steno. Om half vier bracht ze thee rond. Je had een telex, voorloper van de fax, voor spoedberichten. De twee beginnende advocaten waren altijd aardig voor ons. Ze hadden namen die zeer goed hadden gepast in Karakter: Mr Caspari en Mr Brunet de Rochebrûne. Net zoals de boekhouder: meneer Dollee. Zulke namen kun je niet verzinnen. Er werd nog in de middag warm gegeten en ‘s avonds brood. We hadden een kindermeisje in dienst.

In het weekend was het regime anders. Dan zat mijn vader aan de vleugel, klonk urenlang zijn pianospel. Hij las ons op zaterdagmiddag voor en we kregen schaakles. We renden door het huis en gooiden papieren vliegtuigjes in het trappenhuis. Er zaten geen cliënten in de kleine wachtkamer, en er was trouwens ook geen zoemer. Ik rende eens achter mijn broer aan toen hij dwars door de glazen haldeur viel waardoor hij een slagaderlijke bloeding kreeg. Op het stenen binnenplaatsje werd “gebald” totdat we bij de buurman moesten aankloppen. We waren bang voor hem. Op het plaatsje stond ook een schommel. Als het slecht weer was dan hield ik zelf kantoor op de eerste verdieping. Mij beviel vooral de comfortabele draaiende bureaustoel van mijn vader, met verstelbare hoogte, zware lederen kussens en de zwiepende rug. Iedereen zei U tegen hem. Dat leek mij heel wat. Zo stelde ik mij de toekomst voor.

Toen ik in Amsterdam begon waren de woonvertrekken in het huis van mijn geboorte al lang daarvoor in bezit genomen door advocaten en het secretariaat, terwijl de bovenste verdieping verbouwd was tot bibliotheek en vergaderruimte. Halverwege de jaren zeventig waren we met het gezin verhuisd naar een grote vrijstaande villa. Er werd voortaan in de middag brood gegeten en in de avond gekookt. Het kindermeisje moest nu schoonmaken, de was doen en op ons passen als mijn ouders weer eens voor een week naar Engeland vertrokken om musicals te zien. Hoe veel er in de loop der jaren, in één generatie van advocaten, veranderd was bleek meteen nadat ik in Amsterdam arriveerde. Alles was anders. Niemand zei U en als ik thee wilde dan moest ik drie etages naar beneden om een kopje voor mezelf in de pantry in te schenken. Je moest zelf bellen met de rechtbank om iets te weten te komen. Een brief dicteren aan de secretaresse die steno beheerste was ongehoord. Je had een dicteerapparaat, maar ik typte mijn brieven zelf op een (nog primitieve) IBM-computer. En toppunt van vernedering: de President van de Rechtbank, bij wie je een beleefdheidsbezoek moest afleggen voor de beëdiging, had me aangeraden vooral actief te worden in de Jonge Balie want anders zou ik als zuiderling, komende van beneden de rivieren, mijn plek niet makkelijk vinden!

Mijn vader had vaak nachtmerries. Daarover vertelde hij graag, alsof het leuk was. Ik weet niet meer of ik toen al advocaat was of dat het bij de waarschuwing “word nooit advocaat!” hoorde, na zijn eerste hartinfarct. Een steeds terugkerende droom. Staande voor het Gerechtshof, met pleitnota in de hand, leek hij verloren. Hij had zijn toga niet aan. Hij kreeg het warm. Kwam niet meer uit zijn woorden. Decorum! Geen reden tot paniek. De rechters leken hem sympathiek, hoewel de oudste in slaap was gevallen. Doorgaan. Gewoon doorgaan. Misschien had de cliënt, die naast hem zat, geen benul. De angst sloeg mijn vader pas écht om het hart zodra hij zich realiseerde dat hij niet slechts vergeten was zijn toga aan te doen, maar geheel naakt stond te pleiten. Op dat moment werd hij badend in het zweet wakker. Telkens weer.

En daar zit ik dan met mijn exemplaar van Karakter thuis op de bank. Ik heb besloten het te gaan herlezen. Niet omdat ik in Dreverhaven mijn vader zou herkennen. Dat zou een te gemakkelijke conclusie zijn. Een vergissing is bovendien snel gemaakt. Ik ben dan wel een doorzetter, maar geen Katadreuffe. Mijn ogen vlammen ook niet. Het gezin van mijn ouders was doodnormaal, ook al zeiden ze altijd dat ik goed moest onthouden zoon van een advocaat te zijn. Dachten ze soms dat ze tot de hogere burgerij behoorden? Nee, ik herinner me vooral goed dat als jongeman het besef plotseling was doorgedrongen dat de tijd van mijn jeugd voorgoed voorbij was. Een advocatenkantoor zoals dat van mijn vader eind jaren zestig leek meer op dat van Mr Stroomkoning uit Karakter, kort na de Eerste Wereldoorlog, dan op het kantoor waar ik zelf mijn carrière begon.

Ik heb me geïnstalleerd bij de leeslamp, de kussens opgeschikt en een glas bourbon (zonder ijs) binnen handbereik op de koffietafel gezet. Ik blader door het boek. Ik zoek de opdracht van mijn vader. De uitnodiging van een studiegenoot voor de feestelijke borrel (“ten Dispuutshuize”) ter gelegenheid van zijn afstuderen, op geschept papier, dient als boekenlegger. Op de achterkant heb ik een foto uit de krant geplakt. Het onderschrift luidt: “Uit het familiealbum: Bordewijk en zijn zoon, 1959”. Voordat ik ook maar één zin lees staar ik naar een aantekening. In mijn eigen handschrift staat tegenover de titelpagina geschreven: ‘Ter gelegenheid van het bezoek van mijn vader aan Amsterdam, 13 maart 1992.’ Gelukkig heb ik geen nachtmerries.

Secret Link