Jos Versteegen is schrijver, dichter en biograaf. Hij debuteerde in 1996 met de bundel 'Voorgoed volmaakt', die werd genomineerd voor de Cees Buddingh' Prijs. Tot nu toe verschenen er in totaal negen bundels van hem. Hij schreef ook o.a. de biografie 'Hans Keilson, telkens een nieuw leven' (2023).
recente columns:
gepubliceerd op 23 februari 2026
Slauerhoff aan de Zwarte Zee

‘Het regent redeloos en droef’ is een regel van Slauerhoff uit het gedicht ‘Nacht’. Ik leerde de hele tekst van buiten toen ik op de middelbare school zat. De sfeer van eenzaamheid en zinloosheid paste goed bij mijn pubergevoelens. Pas veel later leerde ik dat de poëzie van Slauerhoff wel vaker aansluit bij de mistroostigheid die jonge mensen soms aankleeft.

Het gedicht is een Nederlandse weergave/vertaling van een tekst van de Chinese dichter Po Tsju I, dus we kunnen de inhoud niet zomaar aan Slauerhoff toeschrijven. Toch zal hij ermee hebben ingestemd. In de tekst is het nacht, iedereen slaapt, de dichter heeft het gevoel dat hij alleen op de wereld is. En wat er in het verschiet ligt is de onherroepelijke dood: ‘Verteren zal mijn hand die schrijft en ’t blad / Dat op zich neemt de klacht van deze nacht’. De existentiële crisis is niet gering, zeker als de dichter zich aan het slot ondubbelzinnig afvraagt ‘vanwaar, waarom en waartoe’ de regels van het gedicht hem zijn ontvallen.

Misschien pleeg ik heiligschennis, maar in mijn achterhoofd duikt de gedachte op dat we met deze droefenis niet al te ver weg zijn van de sfeer van Candlelight, het radioprogramma waarin Jan van Veen decennialang gedichten van jonge mensen voorlas. Hij hield zich niet in, de emoties klotsten de radio uit en de jonge, getourmenteerde dichters hadden een reden om het hoofd weer iets meer rechtop te gaan dragen. Hun leed ging door de ether en dat gaf hun bestaan een sprankje zin. Voor de trein springen was even geen optie.

Begin jaren negentig zwierf ik door Roemenië om een reisgids over dat land te schrijven. Ik kwam ook in Constanţa aan de Zwarte Zee, waar Ovidius ooit naartoe werd verbannen. ’s Avonds maakte ik een wandeling door het stille, armoedige centrum, keek in etalages en noteerde op een kladblok namen van producten om in mijn gids een beeld te kunnen geven van het aanbod van de plaatselijke middenstand.

Opeens werd ik in het Engels aangesproken door een jongen van eind twintig die vroeg wat ik aan het doen was. Na mijn uitleg kwam er nog een vraag: of ik iets wilde komen drinken bij hem thuis, vlakbij, in een flat. Zijn vrouw was er niet. Voor de gezelligheid wilde hij een nummer voor me spelen op zijn gitaar, wat ik hartverwarmend vond. Toen hij vroeg om een kleine tegenprestatie van mijn kant besloot ik ‘Nacht’ van Slauerhoff voor te dragen, eerst maar in het Nederlands. Dat twee vreemdelingen elkaar op deze eenzame avond aan de Zwarte Zee hadden ontmoet en zich nu samen vermaakten, zomaar, uit vriendschap die hooguit in de startblokken stond – dat contrasteerde met het gedicht en het ontroerde me. À l’improviste vertaalde ik ‘Nacht’ in het Engels, in de hoop dat de Roemeen ongeveer zou kunnen navoelen wat Slauerhoff en Po Tsju I hadden bedoeld. Misschien zou hij dan in één moeite door ook begrijpen wat mij trof in onze ontmoeting.

Mijn inbreng werd geen succes. De vertaling had iets bleeks, iets onzekers, en de bijbehorende uitleg was niet helder genoeg, laat staan dat ik mijn persoonlijke emoties over het voetlicht kon krijgen. Dat had Jan van Veen beter gedaan. Mijn reisgids verscheen in 1993. Van de Roemeense jongen heb ik nooit meer iets vernomen.

 

Deze column verschijnt simultaan op josversteegen.nl 

Secret Link