De camera zoomt in onder de klep van de vleugel door, zodat het lijkt of je als toeschouwer boven de snaren naar hem toe zweeft en over twee, drie, vier seconden zijn hoofd kunt aanraken. Bij een nieuw shot, deze keer van opzij, zie je hoe een zweetdruppel zich losmaakt uit de korte haren bij zijn rechteroor. Hij schudt zijn krullen.
Het zijn YouTube-beelden van meesterpianist Jan Lisiecki, 31 jaar, Canadees, met Poolse ouders. Het is een jaar of acht geleden dat ik hem voor het eerst zag optreden, in de Laeiszhalle in Hamburg. Een goede vriendin van Duitse komaf nodigde mij uit voor dat concert. De zaal was behoorlijk vol. Twee plaatsen naast elkaar waren niet meer te krijgen, daarom zaten mijn vriendin en ik noodgedwongen achter elkaar. De muziek was dromerig, koesterend, poëtisch. Mozart, Chopin, Kreisler.
Na afloop, in de foyer, signeerde Lisiecki zijn cd’s. Ik kocht er twee en wisselde een paar woorden met hem – het was vooral een kleine oefening in de uitspraak van zijn naam – terwijl mijn vriendin met mijn telefoon in de aanslag stond om foto’s te maken. Lisiecki zag het. Opeens sloeg hij zijn rechterarm om mijn middel, en dat was geen slap armpje. Hij had me stevig in zijn greep. Al durfde ik bij hem niet hetzelfde te doen, ik vond dat mijn avond nauwelijks geslaagder had kunnen eindigen. Op de foto staan we als vrienden zij aan zij, dicht tegen elkaar aan.
Als ik naar Lisiecki kijk, komen er associaties naar boven met de ‘caramellen lokken’ die Hans Warren ziet bij een mooie jongen in Parijs met wie hij de nacht doorbrengt. Het gedicht waarin hij die lokken vereeuwigde eindigt met twee regels die, vermoedelijk in de ochtend, de grootstedelijke entourage van de tederheden oproepen: ‘er lag een vliesje ijs / op het Canal Saint-Martin’. In Hamburg lag dat poëtische laagje ijs er niet op de avond van het koesterende concert. De Elbe vriest niet gauw dicht.
Als mijn grote pianoliefde is Jan Lisiecki de opvolger van Wladimir Horowitz. In november 1986, kort na zijn 83e verjaardag, trad hij op in Amsterdam, maar de prijs van een kaartje ging mijn voorstellingsvermogen te boven. ’s Avonds zag ik in het journaal een menigte juichende toeschouwers in het Concertgebouw. Ik had spijt dat ik thuis was gebleven. Wat ik overdag wel had gedaan: ik had Vriend J. gevraagd om samen met mij even langs de voorkant van het Concertgebouw te rijden, zodat we tenminste het doek konden zien dat daar tegen de gevel gespannen was. ‘Wladimir Horowitz’, stond er met grote letters op. Dichter bij mijn idool kon ik niet komen.
Horowitz bleef op afstand en had geen caramellen lokken. Een gedicht dat hem op dromerige wijze in beeld brengt, misschien zelfs terwijl het buiten vriest – ik ken het niet. Zo’n gedicht bestaat over Lisiecki trouwens net zo min, voor zover ik weet. Gelukkig doen ze allebei op YouTube en op cd’s hun briljante muzikale werk. En als ik na het luisteren voor wat aanvullende romantiek graag ijs wilde zien, afgelopen winter, kon ik op menige vorstavond terecht aan de Amsterdamse grachten.
Deze column verschijnt simultaan op de website van Jos Versteegen, www.josversteegen.nl