Rody Chamuleau (1944) is neerlandicus en oprichter van de Bosbespers, een eenmansuitgeverij voor literaire curiosa. Samen met J. Dautzenberg stelde hij een literatuuroverzicht samen van de 19e en 20e eeuw, 'Nederlandse literatuur 2' (1991). Verder publiceerde hij in diverse tijdschriften biografische artikelen over negentiende-eeuwse letterkundigen.
de columns van Rody Chamuleau:
recente columns:
gepubliceerd op 10 maart 2026
Een prins met klokkenmakersbloed

Louis (Jean Henri Charles Adelberth) de Bourbon heeft zich zijn leven lang ingebeeld dat hij verwant was met het Franse koningshuis van de Bourbons, omdat hij een directe nazaat was van de uit Pruisen afkomstige Karl Wilhelm Naundorff), een charismatische klokkenmaker uit Delft die beweerde dat hij de zoon was van de Franse koning Lodewijk XVI en Marie Antoinette. Tijdens de Franse Revolutie zou hij op tienjarige leeftijd ontsnapt zijn uit de Temple in Parijs, waar hij in de toren gevangen gehouden werd.

Louis ging prat op de titels ‘Prince’ en ‘Duc de Normandie’ die hij daadwerkelijk bezigde en die ook op zijn grafsteen op de Algemene Begraafplaats in Oosterbeek staan vermeld. Daarop maakte hij aanspraak omdat hij de achterkleinzoon was van Naundorff, die het voor elkaar kreeg dat de familie in 1863 officieel toestemming kreeg de naam De Bourbon te voeren, zonder erkenning overigens van de bijbehorende adellijke privileges en rechten.

Aan het eind van de vorige eeuw, toen het DNA uit een spier van het gemummificeerde hart van een kind dat op 8 juni 1795 in de Temple was overleden aan tuberculose, en van wie aangenomen werd dat hij de dauphin was, en het DNA uit beenderresten van Naundorff werd vergeleken met materiaal uit het haar van twee zusters van Marie Antoinette kon er geen enkele verwantschap worden aangetoond. Dat betekent dus dat de Franse koningin in ieder geval niet de moeder kon zijn, zodat aannemelijk werd dat het hele afstammingsverhaal was ontsproten aan het fabulerende brein van Naundorff. Het onderzoek overtuigde de zelfverklaarde prinsen geenszins. Het was helemaal niet zeker dat de onderzochte resten wel echt van Naundorff waren en in de familie deed het verhaal de ronde dat Naundorffs moeder een hofdame was die de koning, na een chirurgische ingreep op zijn edele delen, praktisch onderricht gaf in het bedrijven van de liefde, aangezien seksueel verkeer met zijn eigen vrouw problematisch was. Het buitenechtelijke kind zou met enkele kunstgrepen het huwelijk zijn binnengesmokkeld.

Toen de kinderen van Louis de Bourbon nogal wat kabaal maakten, terwijl hun vader met een gast converseerde, vermaande hij hen zonder enige ironie met de woorden: “Kinderen, kinderen, bedenk toch dat jullie prinsjes zijn.” En toen twee medewerkers van het Letterkundig Museum na het overlijden van Louis de Bourbon zijn literaire nalatenschap kwamen ophalen, voegde de veronderstelde kroonprins, “een textielhandelaar uit Canada, gekleed in een geruite golfbroek, hun genadiglijk toe dat ze hem mochten aanspreken met ‘meneer’, kennelijk veronderstellend dat ze anders ‘majesteit’ zouden zeggen.”

Met de dood van zijn oom Louis Charles in 1899 had de vader van Louis de rechten op de virtuele troon met de bijbehorende titels geërfd en sedert 1910 noemde hij zich Henri VI. Alles stond in het teken van de koningsdroom, die hij obsessief koesterde. Om zijn aanspraken op de Franse troon te realiseren was hij zelfs rooms-katholiek geworden. Eind december 1908 werd de vermeende troonopvolger in Oosterbeek geboren, maar helaas zonder gepast kanongebulder en feestgedruis. Het verhaal gaat dat de vier poten van het kraambed waarin Louis de Bourbon ter wereld kwam in potten stonden die gevuld waren met aarde uit Frankrijk, want de zoon van de Franse troonpretendent diende op Franse grond ter wereld te komen.

De jonge Louis voelde zich diep verbonden met zijn moeder die in 1920 stierf toen hij elf jaar oud was. Na haar dood kon hij van puur verdriet enkele dagen niet spreken en daarna heeft hij nog jarenlang gestotterd. Zijn dichtbundel Voor haar alleen (1952) getuigt van die adoratie.

Na een opleiding op kostscholen, achtereenvolgens in Weert, Roermond en Pey-Echt, volgde hij de Militaire Academie in Breda. Zijn rechtenstudie aan de Nijmeegse universiteit sloot hij in 1933 af met het behalen van de meestertitel. In datzelfde jaar trouwde hij met de in Kopenhagen geboren Gudrun Marie Naumann, die drie jaar ouder was. Inmiddels was hij met wisselend succes de literatuur binnengestapt. Hij debuteerde in 1931 met een dichtbundel Reisverhalen en was redacteur ‘buitenland’ en ‘kunst en letteren’ op de burelen van het dagblad De Gelderlander in Nijmegen. Poëtische bijdragen leverde hij aan het gezaghebbende tijdschrift Forum, soms onder het pseudoniem Ludovicus van der Key. Hij stond aan de wieg van het literaire tijdschrift Het Venster en was redacteur van het tijdschrift Roeping en later van De Gemeenschap. In 1936 vertrok hij naar Nederlands-Indië om zijn medewerking te verlenen aan het Soerabaiasch Handelsblad en de Indische Courant, maar hij keerde na twee jaar terug vanwege de broze gezondheid van zijn kinderen. Na de dood van zijn vader in 1937 erfde hij als gedoodverfde dauphin de titels.

In november 1938 zag hij zijn politieke ambities bekroond door zijn benoeming tot burgemeester van de gemeente Escharen en Langenboom, twee kerkdorpen in Noord-Brabant.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog nam hij het zonder aarzelen op voor de bevolking. Na zijn benoeming tot burgemeester van Oss in 1941 ging hij door op de ingeslagen weg en weigerde halsstarrig de hem onwelgevallige bevelen van de bezettende macht op te volgen. Dientengevolge zag hij zich genoodzaakt in 1943 zijn ontslag in te dienen en onder te duiken. Hij hield zich schuil in Plasmolen bij een bevriende schilder, Jacques van Mourik. Van daaruit leidde hij een ondergrondse ordedienst en stond aan het hoofd van een Brabantse knokploeg die het de bezetter aardig lastig maakte. Omdat de Duitsers lucht hadden gekregen van Bourbons aandeel in de illegale verzetsactiviteiten, werd hij in het voorjaar van 1944 bij verstek ter dood veroordeeld.

Veel van Bourbons letterkundige werk ging in de oorlogsjaren verloren, maar wat hij nog kon vinden aan proza en poëzie bundelde hij in 1944 in Nocturne, maar de kwaliteit van de bijdragen liet nogal eens te wensen over. Misschien een gevolg van de oorlogservaringen die een slopende werking hadden gehad op zijn psychische en fysieke gezondheid. Uit het in 1953 geschreven gedicht ‘Zelfportret’ komt niet het beeld naar voren van een vrolijke Frans:

Het voorhoofd hoger door verlies van haren
de groeven scherper en meer zorg-bewust
maar het wezenlijkst verschil met vroeger jaren:
de blik waarin het laatst verlangen werd geblust
het moedeloos en diep-ontgoocheld staren
boven een mond, die zelden lacht en kust.

In 1974 verschenen zijn Verzamelde gedichten bij een Vlaamse uitgeverij, met een inleiding van Jan H. de Groot, die hem karakteriseerde als de dichter van het levenslange heimwee.

Louis de Bourbon overleefde een zwaar auto-ongeval en een lichte beroerte, maar tegen de voortschrijdende keelkanker was hij niet opgewassen. Na een hersenbloeding stierf hij op 8 januari 1975 in het Arnhemse St. Elisabeth’s gasthuis.

Secret Link