gepubliceerd op 10 augustus 2026
Meester en leerling

In het november/decembernummer 2022 van Onze Taal schreef Guus Middag een artikel over de taal van de classicus, dichter en vertaler J.H. Leopold (1865-1925). Daarin wijst hij vooral op diens archaïsche taalgebruik en de ongebruikelijke woordvolgorde aan de hand van een titelloos gedicht met vier vierregelige strofen:

Om mijn oud woonhuis peppels staan
“mijn lief, mijn lief, o waar gebleven”
een smalle laan
van natte blaren, het vallen komt.

Het regent, regent eender te hooren
”mijn lief, mijn lief, o waar gebleven”
en altijd door en
den treuren uit, de wind verstomt.

Het huis is hol en vol duisternis
“mijn lief, mijn lief, o waar gebleven”
gefluister is
boven op zolder, het dakgebint.

Er woont er een voorovergebogen
“mijn lief, mijn lief, o waar gebleven”
met leege oogen
en die zijn vrede en rust niet vindt.

Dit gedicht is vooral bekend omdat het in veel poëziebloemlezingen is opgenomen. De aanhef was juist vanwege die rare woordvolgorde voer voor parodisten, waarvan er een schreef:

Om mijn oud woonhuis peppels staan,
maar als de cokes op is,
gaan ze eraan.

En ook:

Om mijn oud woonhuis peppels staan
en als ik nodig moet,
pis ik ertegenaan.

De oorspronkelijke tekst geeft volgens Middag ‘vooral sfeer – van dreiging, eenzaamheid, leegte. We lezen een portret van een neerslachtige man, alleen in zijn spookachtige huis, treurend om een verdwenen geliefde.’ Raadselachtig is echter het gebruik van de aanhalingstekens in de tweede refreinregel. Is het een uitroep van de eenzame man? Of is het de wanhoop die hij tot viermaal toe laat spreken?

Middag had gelezen dat Leopold, sinds 1891 leraar oude talen aan het Erasmiaansch Gymnasium in Rotterdam, zich bij zijn wandelingen in de omgeving omstreeks 1922 af en toe liet vergezellen door een van zijn leerlingen, onder wie de toen 17-jarige Ida Gerhardt (1905- 1997), die zelf ook klasssieke talen zou gaan studeren en eveneens naam zou maken als dichter. Op een van die wandelingen wees hij haar op Villa Dijkzigt, het neoclassicistische woonhuis van de schatrijke redersfamilie Van Hoboken aan de Westzeedijk, waar tegenwoordig het Natuurhistorisch Museum is gehuisvest. Hij vertelde dat hij dit huis in gedachten had, toen hij het gedicht in 1897 schreef en dat Van Hoboken daar op het einde van zijn leven helemaal alleen woonde. Waar Middag die informatie vandaan heeft is onduidelijk.

Jacobus van Hoboken (1845-1916) was in die tijd allerminst eenzaam en door droefenis overmand, want hij bewoonde toen het landhuis met zijn gezin. Als Leopold dat inderdaad aan Gerhardt had verteld, wist hij kennelijk niet beter of speelde zijn fantasie hem parten; of Gerhardt heeft dat achteraf geconcludeerd bij lezing van het gedicht en heeft de opmerking zo haar herinnering binnengesmokkeld. Waarschijnlijk projecteerde Jan Hendrik Leopold de neerslachtige man die hij voor ogen had, op zijn eigen situatie en gemoedsgesteldheid als hij oud en afgeleefd zou zijn. Maar er is natuurlijk wel een verschil of je in je eentje zit te kniezen in je riante landhuis bij een knapperend haardvuur of in je huurkamer bij een kolenkacheltje, zoals Leopold toen woonde. En het treuren om een verloren liefde zal hem ook niet vreemd zijn geweest.

Omstreeks 1892 had hij zich verloofd met Aaffiene Rijkens, dochter van een Groningse graanhandelaar, die hij al vanaf zijn jeugd kende. Maar zij zou in 1896 trouwen met een jongere broer van Jan Hendrik.

In 1924 verkocht de jongste zoon van Jacobus van Hoboken, Anthony, het landgoed met het monumentale pand aan de gemeente, nadat zijn moeder in 1922 was overleden.

Dat de poezie van Ida Gerhardt schatplichtig is aan die van Leopold moge blijken uit twee verzen in haar bundel Kwatrijnen in opdracht (1948):

XXIII

Heel Rotterdam, zijn huizen en zijn kaden
bestond voor mij bij Leopolds genade.
Ik zag – een kind – hem in de avondstad
als Cheops door de sterrentuinen waden.

XXIV

De uitgebrande stad blijft hem herhalen.
Ik zag zijn voetstap van de puinen dwalen;
om de doorschoten toren waait zijn stem –
De driftige stroom schrijft zijn initialen.

Leopold leed de laatste tien jaar van zijn leven steeds sterker aan vervolgingswaan, werd steeds eenzelviger en kon zich van de ene op de andere dag vervreemden van vrienden en collega’s. Martinus Nijhoff noemde hem zelfs ‘een naar zichzelf ontwekene’. Ook Ida Gerhardt ontkwam niet aan het paranoïde gedrag van haar leermeester en ze heeft na een abrupte breuk die niet meer werd bijgelegd, nooit geweten wat de oorzaak was. In de bundel De zomen van het licht (1983) dichtte zij daarover:

Tweespraak

Ik ken u – en ik ken u niet,
die mij inleidt in uw gebied;
die als een vader met mij praatte
en straks argwanend naar mij ziet.

Ik kende u – en ik kende u niet
– een kind nog in mijn prille staat –
gij die mij onverhoeds verried.

Ik ken u – en ik ken u niet,
die mij toont hoe een vers ontstaat,
en lacht als het aan stukken slaat.
Die Leopold zijt. – En ook niet.

Secret Link