Jos Versteegen is schrijver, dichter en biograaf. Hij debuteerde in 1996 met de bundel 'Voorgoed volmaakt', die werd genomineerd voor de Cees Buddingh' Prijs. Tot nu toe verschenen er in totaal negen bundels van hem. Hij schreef ook o.a. de biografie 'Hans Keilson, telkens een nieuw leven' (2023).
de columns van Jos Versteegen:
recente columns:
gepubliceerd op 23 oktober 2026
Op de eerste rang bij Joseph Goebbels

Bad Freienwalde an der Oder: een mooie naam voor een mooi stadje, zo’n zestig kilometer ten noordoosten van Berlijn. Een kuuroord dat eind negentiende, begin twintigste eeuw steeds belangrijker werd voor de rijken uit Berlijn, die er een dagje heilzame baden opzochten of er een villa lieten bouwen, bijvoorbeeld na hun pensionering.

Freienwalde kwam de Tweede Wereldoorlog relatief ongeschonden door, maar het had wel de pech dat het kwam te liggen in de Russische bezettingszone en dus bij de communistische DDR ging horen. Dat leidde tot verval.

Na de Wende is ook voor Freienwalde het tij gekeerd. Veel gebouwen zijn opgeknapt en het viaduct dat het stadje doorsneed – symbool van de Duitse deling? – is inmiddels weggebroken. Op beperkte schaal hoort kuren nog steeds tot de mogelijkheden. Wandelen in de bosrijke, heuvelachtige omgeving loont ook de moeite.

Ik ben vijf keer in het stadje geweest, omdat Hans Keilson (1909-2011), de joodse psychiater, auteur en dichter over wie ik een biografie schreef, er werd geboren en opgroeide. Ik was op zoek naar zijn roots. Zo kwam ik op de plek waar de synagoge had gestaan – in de Kristallnacht in brand gestoken. Ik bracht een bezoek aan het gymnasium waar hij zijn middelbare-schooltijd doorbracht en, last but not least, ik bezocht het statige, vroeg-twintigste-eeuwse hoekpand waar zijn ouders op de eerste verdieping een appartement huurden. Daar begon Hans Keilsons leven. Vanaf het balkon had je een goed zicht op de lutherse Sankt-Nikolaikirche en op het stadhuis met z’n trappen voor de ingang.

Iedere keer als ik in Freienwalde verbleef, vond ik onderdak in een appartement boven het toeristenbureau, één pand verwijderd van het grote hoekhuis. Mijn werkdagen in het stadje, die vooral bestonden uit het houden van interviews en het bestuderen van oude kranten in het lokale museum, sloot ik af in dat appartement. Dan was het een uur of elf en zat ik een beetje voor me uit te staren naar de kerk, het stadhuis en het marktplein. Ik had hetzelfde uitzicht als Hans Keilson en zijn ouders. Af en toe kwam er een auto voorbij, hobbelend over de kinderkopjes, of liet iemand een hond uit. Rustiger, vreedzamer kon je het niet krijgen.

Toch was juist dit de plek waar Joseph Goebbels op zondag 13 oktober 1929, staande op de trappen voor het stadhuis, zorgde voor onrust. Omringd door minstens tweehonderd SA-mannen, vanuit de hoofdstad aangevoerd op vrachtwagens, hield hij een toespraak over het vaderland, de joden en de schandelijke Vrede van Versailles. Zo werden ook in Freienwalde oorlog en moord voorbereid. Hans Keilson, en vermoedelijk ook zijn ouders Max en Else, stonden te luisteren en te kijken op hun balkon, een eersterangs plek om de nazi’s en hun sentiment van de haat te leren kennen. Hier stonden joden recht tegenover hun felste vijanden, alsof een regisseur het had bedacht en het centrum van Freienwalde een theater was.

De kerk, het stadhuis, het marktplein – het was niet alleen een mooie, goed bewaard gebleven, intieme plek. Ook hier werd, in dit geval door Goebbels, gewerkt aan de schuldige geschiedenis van Duitsland die het lot van dat gezin op het balkon zou bepalen. Hans zou als onderduiker in Nederland de oorlog overleven, maar de wond die de moord op zijn ouders in Auschwitz sloeg, heelde nooit.

Ik zag het centrum van Bad Freienwalde an der Oder. Er kwam een auto voorbij, hobbelend over de kinderkopjes. Iemand liet een hond uit.

 

Deze column verschijnt simultaan op de website van Jos Versteegen, www.josversteegen.nl

 

 

Secret Link