“Dingen verdwijnen uit je leven, ze slijten, je verliest ze of ze gaan kapot: het welkom-matje bij je voordeur, je liefste trui (tot op de draad), je nieuwe fiets (gestolen), of de rug van een oud boek, waarna de inhoud uit de band springt en voor misverstanden zorgt. Het meeste kan misschien vergeten worden, maar wie regelmatig grasduint in de reparatieruimte van de geest, vindt soms momenten van geluk om zonder gêne tegenaan te leunen.
Ik droomde van een oude radio, zo’n prachtig toestel kan alleen in je herinnering bestaan. En dan is er nog een voordeel: je bent zender en antenne tegelijkertijd.
Betoverd door de zacht oranje gloed in het kleine iets verzonken display met z’n cijfers, golven en frequenties, draai ik vlug en langzaam aan de knoppen. Er is niemand in de kamer en ik geef me over aan een kinderlijk plezier: me baden in de fantasie dat ik bepaal wat in de radio gebeurt. Ik heb hier de regie en filter de geluiden zoals ik ze horen wil, ik kies wie hier een lied mag zingen en hoe lang gepraat wordt over voetbal, oorlog en de koningin. Trillingen gaan door me heen terwijl ik naar een mengelmoes van talen luister, naar vreemde gilletjes en het duizelingwekkende gesnavel en gekwetter in de ether. Al te scherpe klanken en gejengel draai ik weg, gauw verder naar de warme bromtoon van een bas. Zo ben ik bezig met de hoge tonen en de lage, ik ben het die ze hard en zacht kan zetten. En als ik graag bekende woorden hoor, beluister ik de kalme stemmen van de radionieuwsdienst van het ANP: de waterstanden, windkracht acht, stormachtig aan de kust, het veer bij Pannerden is uit de vaart genomen – zulke zinnen blijven blijkbaar hangen in de potpourri van je geheugen, net als de Suezcrisis en brand van Boedapest, het ijzeren gordijn, de OAS en generaal De Gaulle.
De oorlog is voorbij, wordt steeds gezegd. Vooruit, zet uit dat ding, je bent maar één keer jong. Ga lekker buiten spelen, jij! - Nog even niet. Ik draai me dol zolang het kan.
Het lijkt erop dat deze oude radio het uitstekend doet. Zolang ik maar de baas ben van dat ding.
Eenmaal wakker denk ik aan de herfst die komen gaat. Het korten van de dagen in september en oktober. Niet eens zo lang meer en we zitten in november. Op de Veluwe wordt voor de eerste keer op de midwinterhoorn geblazen. Daar is december al! Met dat opgelegd pandoer van goede voornemens en vredeswensen.
Het snelle draait op volle toeren in me door. Ik spring uit bed om dit alles op te schrijven. Nog kauwend op een boterham trek ik de gordijnen aan de straatkant open. Daar is de wereld.
Het is nog vroeg, veel vroeger dan ik dacht. Het zwart van de nacht is net pas weggetrokken. Het waait. Een krantenjongen fietst slingerend voorbij, achteromkijkend naar de volgepakte tas op zijn bagagedrager. Verloor hij iets? Jawel. Een krant schuift even later ritselend over de grijze stoeptegels, wordt opgenomen door een windvlaag, warrelt raar omhoog en drukt zich paginagroot tegen mijn huiskamerraam.
Hela, deze krant kopt ‘Vrede’. Dit is wereldnieuws! Vrede!
Het mooie woord kijkt brutaal bij mij naar binnen. Vrede! Hoe is het mogelijk? Het kijkt me aan met grote chocoladeletters. Vrede!
Bijgelovig als ik ben, besluit ik in een splitseconde dat dit wonderlijke nieuws me niet voor niets voor dag en dauw wordt opgediend. Het betekent minstens dat ik déze krant meteen van a tot z moest lezen, precíes dit exemplaar, geen ander. Ik vlieg naar buiten om hem van de ruit te plukken. Mis. Vlak voor mijn neus waait hij opnieuw omhoog, om op de rijweg neer te dalen en te worden meegenomen met de eerste bus naar het station.
Terwijl ik deze woorden neerschrijf, verbaas ik me erover dat iets gewoons zo vreemd kan overkomen. Ik weet het wel, als woord is ‘vrede’ snel geschreven. Maar waarom heb ik het gevoel dat ik mijn pen in verre, onbekende wateren heb gedoopt. Die van de lieve vrede als een sprookje, een verloren droom.”