Coen van 't Veer (Zierikzee 1968) promoveerde in 2020 op 'De kolonie op drift', een dissertatie over het koloniaal discours in fictie over de reis tussen Nederland en Indië in de periode 1850-1940. Hij is penningmeester en redacteur van Indische Letteren. Samen met Gerard Termorshuizen publiceerde hij in 2018 een biografie van de Indische journalist en persmagnaat D.W. Berretty en in 2021 een biografie van diens zoon, de fotograaf Dodo Berretty.
de columns van Coen van ’t Veer:
recente columns:
gepubliceerd op 2 april 2024
Moesapi, een vergeten gedicht over de Atjehoorlog

Sommige literaire werken staan na het verschijnen enige tijd in de belangstelling en verdwijnen vervolgens na verloop van tijd onder het stof van de geschiedenis. Een enkele keer wordt zo’n werk alsnog aan de vergetelheid ontrukt, omdat iemand de bijzondere kwaliteit ervan herontdekt. Vaak blijkt dan zo’n oude tekst nog verrassend actueel of geeft deze een vernieuwend inzicht in het denken en voelen van mensen van vroeger.

Dat geldt ook voor het gedicht ‘Moesapi; Het verhaal van de soldaat’ van Pieter Andreas Martin (P.A.M) Boele van Hensbroek (1853-1912). Boele publiceerde dit uitzonderlijke gedicht over de Atjehoorlog in zijn bundel Nieuwe gedichten uit 1891. Hij had voor het eerst laten verschijnen in De Nederlandsche Spectator van 6 november 1886Veertig dagen later bereikte ‘Moesapi’ ook Indië. Waar het Soerabaijasch Handelsblad van J.A Uilkens op 16 december het gedicht zonder commentaar afdrukte, werd het op diezelfde dag in Bataviaasch Nieuwsblad van P.A. Daum onder de kop ‘Nieuwe Atjeh-politiek’ voorzien van een smalend commentaar op de inhoud ervan, ondertekend met de letter S. Grote bekendheid kreeg het gedicht van Boele niet. ‘Moesapi’ werd in Algemeen Handelsblad aangehaald ten tijde van de verovering door de Nederlanders van Lombok (1894) en Bali (1906).  In de eerste helft van de twintigste eeuw werd ‘Moesapi’ sporadisch gedeclameerd op voordrachtsavonden. In 1928 werd het gedicht voorgelezen bij de Soerabajasche Radio-Vereeniging Ook verscheen het in enkele poëziebloemlezingen voor middelbare scholieren. In 1949 werd het nog afgedrukt in het tijdschrift De Tempelier. Daarna verdween ‘Moesapi’ voor lange tijd uit het collectieve geheugen.

Pas in 2001 dook een fragment van het gedicht weer op in Het verloren paradijs van Mary Kemperink uit 2001. Zij citeerde enkele versregels uit de eerste helft van het gedicht. Jan Gerard Buijsse drukte ‘Moesapi’ in het zijn geheel af in zijn Leids proefschrift uit 2023. Buijsse blies daarmee het stof van dit gedicht af en bewees daardoor de (literatuur)geschiedschrijving een belangrijke dienst.

‘Moesapi’ laat namelijk een afwijkend geluid over de Atjehoorlog horen, een strijd die vanuit Nederlands perspectief duurde van 1873 tot en met 1903. In het slot van dit gedicht, dat stamt uit oktober 1886, is er namelijk – dwars tegen de tijdsgeest  van toen in – oog voor de rechtvaardigheid van de strijd van de Atjehers voor hun eigen land en de wreedheid van het Nederlandse militaire apparaat bij de verovering daarvan. ‘Moesapi’ kent een ontroerend einde, vol empathie en erbarmen. Hieronder staat het hele gedicht.

MOESAPI
HET VERHAAL VAN DEN SOLDAAT

In Atjeh waren we; ’t was een beroerde tijd.
Wij brandden alles neêr, de kampongs wijd en zijd
Vernielde ons kanon. Wij sabelden ze neder,
Die bruine kerels, maar … er kwamen and[’]re weder
Te voorschijn uit het bosch. ’t Was, of hun dapperheid
Vermeerde met den dag.

Weêr hadden w’ eens gestreden
En weêr gewonnen. Weêr de nederlaag geleden
Had dat vervloekt gespuis. Toch hielden zij zich goed –
Dat moet ik zeggen – want, al stroomde ook hun bloed,
Ze stierven liever dan door ons beheerscht te leven.
Nu – allen stierven. Toen werd ons verlof gegeven
Tot rusten en daarna groef men een reuzig graf
Voor al de dooden. ’t Werk ging ons niet moeilijk af;
We wierpen ze er in. Maar ziet, een der soldaten,
Die moog’lijk ’t hardst van al schold op die onverlaten,
Treedt bleek, ontdaan terug. – Daar ligt een jonge vrouw,
De borst doorschoten, ’t oog gebroken vol van rouw,
De klewang in de hand; met d’ and’re drukt de arme
Een zuig’ling aan het hart. – Wij kenden geen erbarmen,
Zoolang als zij verwoed in ’s vijands rangen streed;
Maar nu? … ’t Was toch háár land! en d’ oorlog was zoo wreed! –
Men zweeg, doch elk begreep, – men kon ’t in de oogen lezen, –
Dat d’ algemeene kuil voor haar geen graf kon wezen,
Stilzwijgend eerden wij in haar de dapperheid,
De moeder en de vrouw. Er werd geen woord gezeid.
Stilzwijgend dolf m’ een kuil, ver van de groote groeve,
Voor haar en voor haar kind; en, toen dat werk, het droeve,
Gedaan was, legden wij er haar eerbiedig in –
En brachten een saluut aan ’t graf van de heldin;

En trokken verder voort in d’ overwonnen streken.
Maar als ik later vocht en nooit die kerels weken,
Doch liever stierven, schoot ’k met minder vaste hand,
Want altijd zag ’k die vrouw, die meevocht voor haar land.
Oct 1886

De schrijver van ‘Moesapi’ was geen onbekende in de literaire wereld van de tweede helft van negentiende eeuw. Boele was boekhandelaar en uitgever, letterkundige en dichter. Hij werkte als uitgever bij de firma Martinus Nijhoff, waar hij onder meer de motor was achter de eerste uitgave van de Encyclopaedie van Nederlandsch Indië. Hij was ook een liefhebber van poëzie. Boeles eerste gedicht publiceerde hij in De Nederlandsche Spectator. Hij zou 25 jaar lang aan dit blad als dichter en als redacteur blijven meewerken. Zijn eerste twee dichtbundels gaf Boele uit bij zijn vriend H.C.A. Thieme te Nijmegen. In 1881 verscheen Gedichten. Tien jaar later volgde Nieuwe gedichten. Bij L.J. Veen in Amsterdam kwam in 1903 zijn laatste verzameling poëzie uit onder de titel Lief en Leed. Zoals gezegd stond ‘Moesapi’ in Boeles tweede bundel.

Boele haalde de inspiratie voor ‘Moesapi’ uit de biografie over Laurens Reinhart Koolemans Beynen (1852-1879), die in 1880 gepubliceerd werd door zijn vriend, Charles Boissevain (1842-1927). Deze was directeur van het Algemeen Handelsblad en bracht – zoals gezegd –‘Moesapi’ in 1894 en 1906 in zijn krant opnieuw onder de aandacht vanwege de Lombok- en Bali-expedities. In de inhoudsopgave van Nieuwe gedichten onder ‘Moesapi’ verwijst Boele rechtstreeks naar Beynens biografie. Er staat onder de titel van het gedicht: ‘Zie den brief van den sympathieken L.R. Koolemans Beijnen, van 1 Januari 1874 (Boissevain, Beijnen, Bladz. 35.)’.

Beynen leidde een kort maar avontuurlijk leven. Hij had als zeeofficier deelgenomen aan de tweede oorlogsexpeditie in Atjeh. Nadat de eerste militaire invasie van Atjeh in maart 1873 mislukt was, ondernam het Nederlands-Indische leger aan het einde van datzelfde jaar een tweede poging. Beynen berichtte daarover in brieven aan zijn moeder en aan twee vrienden. Een van hen was Boissevain. In februari 1874 kreeg Beynen te kampen met dysenterie en ‘hersenkoortsen’, waardoor hij voor zijn herstel weer naar Nederland moest. Later zou Beynen voor de Hackluyt Society een Engelse vertaling te maken van het werk van Gerrit de Veer over de drie reizen van Willem Barents (1594-96), en zou hem in 1878 naar de noordelijke ijszeeën nareizen met een Nederlandse expeditie. Deze slaagde er niet in om ‘het behouden huis’ op Nova Zembla te bereiken, maar deed wel Smeerenburg op Spitsbergen aan en plaatste daar een gedenksteen. In maart 1879 vertrok Beynen weer als marineofficier naar Indië. Hij bleef echter last houden van aanvallen van ‘hersenziekte’ en maakte op 11 november van datzelfde jaar in Makassar een einde aan zijn leven.

Beynen had in Atjeh voor het eerst kennisgemaakt met oorlogsgeweld. In een epistel van 1 januari 1874 schreef Beynen dat hij de oorlog noodzakelijk achtte voor het vaderland, maar dat het doden van medemensen een ‘smartelijk, verschrikkelijk werk’ vond. Hij had grote eerbied voor ‘die wilde natuurmenschen, die met zulk een opoffering en moed het schoone land dat zij bewonen, verdedigen.’ Vervolgens vertelt hij over een beeld dat hem het hart had doen krimpen:

Na de bloedige bestorming van Moesapi vond men te midden der gesneuvelde Atjehers het lijk van eene beeldschoone inlandsche vrouw. In de eene hand klemde ze nog een lans, in de andere een klewang. Een kogel had haar in het hart getroffen.

Terwijl de troepen zegevierend verder trokken, begroeven onze matrozen de gesneuvelden. Al de Atjehers gingen samen in één grooten kuil. Doch toen ze die schoone vrouw daar zagen liggen, die voor haar land gesneuveld was, bedekten ze haar met een kleed; geen onvertogen woord, geen grap werd gehoord, doch zonder dat hun iets geboden was, groeven ze uit eigen beweging een afzonderlijk graf voor haar. […] Als ware zij eene Hollandsche vrouw, had die heldin haar land lief.

Dit fragment uit Beynens brief moet Boele hebben getroffen. Alhoewel Boele in ‘Moesapi’ de beschrijving van Beynen volgt, heeft hij het voorval ook dramatischer gemaakt. In het gedicht houdt de gesneuvelde jonge vrouw geen lans vast maar een eveneens gedode baby. Kennelijk was voor Boele de werkelijkheid nog niet tragisch genoeg. Hoe het ook zij, het is  opvallend dat in brief en gedicht er bewondering is voor de vijand. Deze slaat in beide om in emotie en vervolgens begrip als een Atjehse vrouw een van de slachtoffers blijkt te zijn. Bij Beynen is deze beeldschoon, bij Boele een jonge moeder met kind. In beide gevallen is zij een strijdvaardige heldin en leidt haar aangrijpende einde tot het voortschrijdend inzicht of – beter – na-ijlend besef dat zij in een wrede strijd voor een rechtvaardige zaak is gestorven.

Het is jammer dat er aan het Boeles ‘Moesapi’ zo weinig aandacht is besteed. Net als de gesneuvelde jonge vrouw uit ‘Moesapi’ verdient het gedicht vanwege de bijzondere verschijningsvorm en het tegendraadse karakter een betere plaats, op zijn minst een eervolle vermelding in de geschiedenis van de Nederlands-Indische literatuur.