Nicolette Smabers (Den Haag, 1948) debuteerde in 1983 met de verhalenbundel 'De Franse tuin'. Naast verhalen en novellen publiceerde Smabers werk voor kinderen en drie romans: 'Stiefmoeder' (2003), 'De man van gas en licht' (2009) en 'Vraag dat maar aan de pelikanen' (2021). Bij het schrijven van 'Het plein Bijzonder en Gewoon' (2001) stond haar een fictief model van een stadsplattegrond voor ogen. In deze bundel figureert ook een zekere Margareta, een personage dat Smabers voor het eerst gestalte gaf in het tijdschrift 'Raster'. De komende maanden zal Nicolette Smabers op deze plaats haar fictieve stadsplattegrond verder uittekenen en Margareta opnieuw tot leven wekken. www.nicolettesmabers.nl
de columns van Nicolette Smabers:
recente columns:
gepubliceerd op 29 november 2022
Namen noemen

Op Lisa passen is een groot plezier, schrijft Margareta in haar dagboek. Eerst de vage soezerige periode van de kinderwagen en de tuin. Ze leeft nog in een droom. Wat haar betreft zit achter elke wolk een aardig dier dat knikt en lacht en haar eeuwig tegemoet zal waaien op de geur van bloeiende kastanjes.

Dan de tijd van tandjes, hapjes, woorden zeggen. Ik neem haar aan de hand mee naar de bakker en de slager. Onderweg staan we voortdurend stil bij het zo en niet anders zijn van wat de straat te bieden heeft.

Dit?

Plastic koffiebeker. Kijken mag. Niet oprapen.

Zo, zo, plastic koffiebeker; ze kijkt ernaar als door een wonderbril.

Dit?

Een ijzertje. Gooi maar weer weg.

Dit?

Dood muisje, afblijven.

Alles had het kunnen zijn, haar wereld, maar het is uitgerekend dit geworden: plastic koffiebekers, ijzertjes en dode muizen.

En pinautomaten.

Ja, daar komt het geld vandaan. Ezeltje strekje, tafeltje dekje. Glllp, doet het geld. Pak maar. Nee, niet weggooien. Geld is mooi, hè Lisa?

En wat doen we met het geld? We geven het aan de slager en de bakker. De slager met zijn rode neus. De bakker met zijn kleine kattensnuitje; ogen, neus en mond, alles zit heel dicht bij elkaar, de schepper heeft zijn trekken met éen kneep vormgegeven.

O, het gewone, het neutrale van de broden op de planken, het spreken over halfjes en hele, over maanzaad en volkoren, hun geur en kleur en hun onwrikbare presentie in de dagen van de week.

Maar groeien geeft ook angst. Gordijnen moeten open blijven en woorden willen zich niet altijd voegen. Meestal is het al een heksenketel als ik haar kom halen tegen vieren: speelgoedstamppot op de mat, boerderijbrand op de tafel bij het raam, en al wat batterij heeft flikkert, mekkert en beweegt. Deze middag niet. De gordijnen zijn nog dicht, een zachte aardbeirode gloed omspoelt de dingen in de kamer. Lisa ligt naar het plafond te staren met haar ogen open. Ze knippert niet als ik met Panda in haar gezichtsveld wuif.

Hier is Panda met het ene oog, fluister ik haar toe. Hij gaat varen in de boot Bombarie.

Lisa geeft geen sjoege; op haar pyjama slaapt de blauwe moederbeer - ZZZZZZ - met het witte kleintje – zzt.

Dit is baby Baby, dring ik aan. Hier zijn de zingvis en het gekkedingenzeggertje. En wie gaan er mee met Panda? Haai en Joris Goedbloed en de Loca Loca-aap, ze gaan allemaal op reis naar Banjerland.

Geen reactie en de tijd staat stil. Eensklaps weet ik zeker dat ze in een wereld zonder beelden en geluiden is beland door iets dat in het eten zat, een paddenstoel, een of andere bacterie, of het minuscule onderdeel van een haarfijn apparaatje, zoiets moet het zijn geweest dat zich in Lisa heeft genesteld. Ik zie haar over straat gaan als groot mens: stijf rechtop, een zonnebril, een stok slaat kruislings op de stoep.

Dan til ik haar uit bed. Wat is ze zwaar. Ze niest.

Goddank.

Baby Baby, Panda en de rest glippen snel hun namen in, waarna ze opgewekt de tijd weer in beweging zetten.