Mario Molegraaf (1960) publiceerde een aantal boeken (zijn meest recente boek is 'Onder de Akropolis. Kleine geschiedenis van het moderne Griekenland') en vele vertalingen (onlangs Mark Galeotti’s 'Een kleine geschiedenis van Rusland' en Nana Ekvtimisjvili’s roman 'Het perenveld'). In de Provinciale Zeeuwse Courant verzorgt hij wekelijks de rubriek ‘Zeeuwse Schrijvers’ en in Den Haag Centraal bespreekt hij Haagse literatuur.
de columns van Mario Molegraaf:
recente columns:
gepubliceerd op 3 september 2020
A.H. Nijhoff, Biggekerke

Herinnert u zich Boerin Bertie nog? Natuurlijk wel, want net als ik kijkt u heimelijk graag naar Boer zoekt vrouw. Bertie, inmiddels met veel voorkeurstemmen in de Provinciale Staten van Zeeland gekozen, wekte de indruk dat ook Lesbos tot de Zeeuwse eilanden behoort. Zij heeft haar voorgangsters, een ontroerend blijk daarvan is te zien op de begraafplaats van Biggekerke, even buiten het dorp gelegen. ‘Op akkerland, met duinen in ’t verschiet,’ zoals M. Nijhoff het omschreef in een gedicht. Een gedicht dat overigens over het villaatje ging dat hij in 1930 nabij Biggekerke liet bouwen, in plaats van over de begraafplaats, maar de uitzichten zijn eender. Dat huis aan de Valkenisseweg werd de favoriete plek van zijn vrouw, die zich in de literatuur onder de gender-neutrale naam A.H. Nijhoff presenteerde.

Het huwelijk was vooral een formele aangelegenheid, beide echtelieden beminden een aantal vriendinnen. Ze móesten trouwen in 1916, en het moetje kreeg de naam Faan Nijhoff. Deze zoon maakte het prachtige gebaar – zo kan het óók – zijn moeder symbolisch te herenigen met de vrouw die vermoedelijk de grootste liefde van haar leven was, de Engelse kunstenares Marlow Moss (1890-1958). Op het graf van A.H. Nijhoff liet hij namelijk een werk van haar geliefde plaatsen, een ‘Sculptural Form’ volgens de driedelige dissertatie die Lucy Harriet Amy Howarth in 2008 aan Moss wijdde. Het beeldje uit 1943 haalde zelfs het chique kunsttijdschrift The Burlington Magazine. Het marmer is niet wit meer, de rest van het bescheiden graf is wat verweerd, maar de mooie gedachte blijft het geheel glans verlenen.

In de oorlogsjaren werd het huis nabij zee, bos en duin gevorderd door de Duitsers. Door het bombarderen van de zeedijken, najaar 1944, werd Walcheren een binnenzee. Of zoals A.H. Nijhoff het noemde in haar prozagedicht ‘Aan Walcheren’, was ‘uw bloeiend lustoord als een dooden zeearm toegevoegd aan het gestaltelooze water dat rond uw kusten dringt’. Ze mijmerde somber verder: ‘Waar uw vogels tjirpten en uw paaschlelies bloeiden, ligt het water’. Maar uiteindelijk bleek ze over haar villa, over haar eiland niet uitsluitend in de verleden tijd te hoeven spreken.

‘Gedenkt te sterven,’ staat op het hek van de Biggekerkse begraafplaats. Maar ik denk toch eerder aan het bijzondere leven van deze schrijfster, die in 1931 debuteerde met Twee meisjes en ik, waarin je veel van haar bestaan, haar bestaan met Marlow Moss onder meer, kunt herkennen. Het stel moet opzien hebben gebaard, de stevige, ietwat mannelijke Netty en de tengere, ongeslachtelijk ogende Marlow. Netty Nijhoff-Wind overleed in 1971 in Den Haag, maar het was haar uitdrukkelijke wens te worden begraven waar ze begraven is. Lesbos op Walcheren, haar ware thuis.