Mario Molegraaf (1960) publiceerde een aantal boeken (zijn meest recente boek is 'Onder de Akropolis. Kleine geschiedenis van het moderne Griekenland') en vele vertalingen (onlangs Jung H. Paks 'Hoe je Kim Jong-un wordt' en Nana Ekvtimisjvili’s roman 'Het perenveld'). In de Provinciale Zeeuwse Courant verzorgt hij wekelijks de rubriek ‘Zeeuwse Schrijvers’ en in Den Haag Centraal bespreekt hij Haagse literatuur.
de columns van Mario Molegraaf:
recente columns:
gepubliceerd op 15 juli 2020
Chawwa Wijnberg, Sint Laurens

Steentjes, schelpen, scherven sieren in Sint Laurens het graf van C.H.R. Wijnberg, dat is Chawwa Hadassah Riwka Wijnberg-Gossije, bijna altijd gewoon de ongewone Chawwa. Het is een geïmproviseerd graf, in afwachting van het moment dat de zware Zeeuwse zeeklei eindelijk is ingeklonken. Bij een graf, al helemaal bij een schrijversgraf, zou je aan ‘famous last words’ moeten denken. Maar ik denk aan ‘famous first words’, nog wel die van mezelf. ‘Hij lus geen Jan Drijvel,’ was volgens de overlevering mijn eerste tekst, waarmee ik wilde zeggen geen andijvie te lusten. Mijn tweede uitspraak was, wanneer een vrouw in klederdracht voorbijfietste: ‘Kijk, een Zeeleeuw!’ Wanneer ben je eigenlijk een Zeeleeuw, een Zeeuwse dus, een Zeeuw? Wanneer je zelf zegt dat je het bent.

Chawwa Wijnberg zei veel en graag dat ze Zeeuwse was. In haar overlijdensbericht stond onder ‘Dordrecht, 6 juli 1942 – Middelburg, 21 december 2019’ met iets van haar trots: ‘Eerste stadsdichter van Middelburg’. Er was meer Middelburg, zeer veel Zeeland in haar werk. In de bundel Nerf en flanken (2008) gebruikte ze de Zeeuwse taal om te melden: ‘Luuster ook ik/ ben een zeeuwin’. Over het zwaarste thema dichtte ze toch licht. ‘Woorden moet je aan de hel ontworstelen/ of uit de hemel smeken/ maar nu eerst/ het ongewenst groot hoefblad/ uit mijn kleine tuintje steken,’ schreef ze in Matses & monsters (2001).

Nuchter was ze ook over haar naderende einde. Haar uitgever vroeg me een praatje te houden op de presentatie van haar laatste bundel, nadrukkelijk als zodanig aangekondigd. Het ontbreken hoor je niet heette het boek, verschenen op een lentedag in 2019. Ze was haar literaire loopbaan begonnen met een bundel Aan mij is niets te zien (1989). Oog en oor waren, zoals die titels al suggereren, belangrijk in haar werk, ook het besef dat het maar beter was niet alles te horen en te zien.

Onvermijdelijk dacht ik daaraan toen op de zoveelste zogenaamde antiracisme-manifestatie (het was in Parijs op 13 juni 2020) deelnemers de leus aanhieven ‘Sales juifs’ (‘Smerige joden’). Nee, dat meldden de Nederlandse media niet, in veel gevallen geen bakens van betrouwbaar nieuws meer maar tempels van ideologie. De zeeuwin Chawwa Wijnberg was ook Jodin. Zie haar gedichten, kijk naar haar namen, Chawwa is hetzelfde als Eva, Hadassah is de echte naam van Esther en Riwka is Rebecca.

Als je haar herdenkt, moet je onvermijdelijk terug naar het begin, zoiets als een ongeluk bij een ongeluk. Haar vader Bob Wijnberg werd precies zestien dagen na haar geboorte opgepakt en later doodgeschoten. Zij, haar moeder Mimi en oom Nol overleefden, honderden andere familieleden werden vermoord.

Haar begrafenis was op 27 december 2019, zomaar in de regen, geen aula, geen ontvangst, een emotionele toespraak door haar zoon, haar weduwe Marianne Gossije-Wijnberg keek verpletterd toe, en dan het gebed. Ik kon, vanwege mijn studie theologie lang geleden aan de Universiteit van Amsterdam, de Aramese woorden nog meeprevelen: ‘Y’hei shlama raba min-sh’maya v’chayim aleinu/ v’al-kol-yisrael’.

Na deze laatste woorden wil ik toch nog woorden aanhalen uit haar afscheidsbundel. Een onverwoestbaar testament van de voor mij onverwoestbare Chawwa Wijnberg. Luuster!

Het is tijd voor een gedicht
een bal met ronde woorden
of een grasspriet door
duimendik beton.