Mario Molegraaf (1960) publiceerde vele boeken en vertalingen, en is de samensteller van de 'Spiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst'. Samen met Hans Warren bracht hij de gedichten van K.P. Kavafis in het Nederlands over. Molegraaf vertaalde tevens de nieuwe editie van Hitlers 'Mein Kampf' onder de titel 'Mijn strijd'.
de columns van Mario Molegraaf:
recente columns:
gepubliceerd op 11 mei 2020
Ilse Starkenburg, Amsterdam

In een gedicht van twee regels kon Ilse Starkenburg een hele wereld oproepen, haar innerlijke wereld. Het is een gedicht uit De boom valt op mij (2017), haar zesde en laatste bundel:

 – Ben jij weleens bang ’s nachts?

  – Nee, niet speciaal ’s nachts

Regels waarin bij nader inzien de onrust juist níet wordt bezworen. Haar uitgever, Peter Nijssen, beschreef haar als een zeer fragiele vaas, zelf noemde ik haar gedichten eens ‘noodsignalen’. Over haar dood, op 11 november 2019, ze was 56 jaar, vreesde ik dat die een uiterst noodsignaal was, maar het ging om een niet gewilde overval.

Haar poëzie nodigt je op een of andere manier uit de psycholoog uit te hangen. Ook al omdat die hoogst persoonlijke binnenwereld van haar, benauwend klein en benauwend eindeloos tegelijk, als een spiegel is. Ilse Starkenburg had misschien meer last van eenzaamheid, kwetsbaarheid, hoe je deze pijn ook mag noemen, dan gemiddeld, maar wie herkent zich niet in de gevoelens die ze in haar poëzie met zo’n huiveringwekkende helderheid (of is het skeletachtige scherpstelling?) opriep?

Zelf lijd ik wanneer ik erover nadenk – maar ik probeer er nooit over na te denken – onder schaamte over zoveel brute botheden die ik heb begaan. Op de lagere school aan de Grotestraat zat achter mij een meisje, Marja Nieuwenhuizen, die stilletjes met mij dweepte. Toen ik op een dag haar agenda opensloeg, ontdekte ik foto’s met fantasievolle bijschriften over 12-jarige Marja en 11-jarige Mario. En in plaats van te zwijgen – nou ja, gelukkig ziet u het schaamrood niet.

Het was in de Amsterdamse Tolstraat, er moest worden gegeten, dat Ilse Starkenburg naast mij aanschoof. Ik voelde haar toenadering. Ik maakte er geen Marja Nieuwenhuizen-voorstelling van, maar sloeg toch nauwelijks bewust, woordeloos zelfs een zoveelste scherfje uit de vaas. Weer een scherp randje erbij, au!

Zomer 2019 stonden er in Hollands Maandblad nog drie van die typische schrale, scherperand, Starkenburg-gedichten, onder meer ‘Zachtjes tikt de regen’ waarin ze net als in de Tolstraat even uit haar schulp kroop:

het begon zwart, inkt
vol verwachting

 Maar nee, snel sluipt ze de schulp weer in:

zou het een vriendschap
kunnen worden, nee

 handtekening onder
een uitgewiste vergissing

Een leven lang, een literaire loopbaan lang was Ilse Starkenburg op zoek naar een zin, een doel, een reddingsboei. En de les die we allemaal uit haar gedichten kunnen trekken luidt: die reddingsboei is er dus niet.