In de ochtend van dinsdag 12 mei – ik kom net uit bed – stuurt een vriend me een opmerkelijk berichtje: ‘Polen in het eindexamen geschiedenis! Goed gelobbyd hoor.’ De tekst gaat vergezeld van een screenshot van het vwo-examen dat de dag ervoor is afgenomen. Tot mijn vreugde zie ik dat de eerste vraag inderdaad over Polen gaat, specifiek over Gdańsk – al wordt deze Baltische havenplaats geïntroduceerd als ‘Danzig, het huidige Gdańsk in Polen’ (wat daar mis mee is, lees je in deze blogpost).
Mijn ogen worden echter nóg groter als ik verder lees. Eén van de gebeurtenissen die de eindexamenkandidaten op chronolische volgorde moesten zetten, is immers als volgt samengevat: ‘In het Rampjaar werden onder Hollandse kooplieden in Danzig gedichten en pamfletten verspreid die tegen Johan de Witt waren gericht.’ Zodra ik zeker weet dat de vriend in kwestie me niet met AI voor de gek houdt – eerdere ervaringen geven aanleiding om voorzichtig te zijn – kan ik een vrolijkstemmende conclusie trekken: ik blijk zowaar een bijdrage te hebben geleverd aan het vwo-eindexamen geschiedenis van 2026.
Dichterlijk verkeer
Aan de basis van het zinnetje in de examenvraag liggen vondsten die ik de laatste jaren deed in Polen, vooral in Gdańsk. Die vondsten waren voor mij zo mogelijk een nog grotere verrassing dan de examenvraag. Hoewel het immers geen geheim is dat de zeventiende-eeuwse banden tussen Gdańsk en de Lage Landen, met name Holland, op allerlei vlakken buitengewoon levendig waren, is over de literaire kant daarvan amper iets bekend. Inmiddels heb ik in Gdańsk echter al tientallen keren een inwendig vreugdedansje gedaan: zo vaak vond ik poëzie – handgeschreven of gedrukt – die oorspronkelijk uit de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kwam of die inhoudelijk ingaat op de Republiek, haar inwoners en hun banden met Gdańsk. Denk aan teksten over zeeslagen, vredestraktaten en andere zaken die de actualiteit bepaalden, maar ook aan gedichten over Nederlandse steden of individuen uit de Lage Landen. Een aantal gaat specifiek in op het gruwelijke lot van Johan en Cornelis de Witt: tot nog toe vond ik een dozijn gedichten, variërend van vier regels tot meerdere pagina’s, verspreid over vijf manuscripten en één druk. Ook qua strekking lopen ze sterk uiteen. Hoewel de examenvraag namelijk anders doet vermoeden, zijn er naast anti-De Wittgedichten ook enkele teksten die juist steun uitspreken voor de onfortuinlijke broers. De lokale docent en veelschrijver Johannes Petrus Titius maakte bijvoorbeeld een klaagzang die zeer waarschijnlijk ter plekke werd gedrukt. Enkele jaren geleden wijdde ik al een blogpost aan deze en andere voorbeelden (ik vermoed dat de maker van de examenvraag zich daarop heeft gebaseerd). Binnenkort verschijnt een wetenschappelijke publicatie waarin ik dieper op al het materiaal inga.
Nieuwe vragen
Verreweg de meeste van deze gedichten zijn opgesteld in het Latijn, maar één ervan is Nederlandstalig: een handgeschreven ‘Graf-Schrift van Jean de Witt, Anno 1672’, dat van oorsprong gedrukt was in de Republiek en de vloer aanveegt met de voormalige Raadpensionaris. Nederlandstalige composities zijn ook te vinden tussen de overige handgeschreven gedichten, die niets met de gebroeders De Witt van doen hebben. Voorbeelden zijn een lofzang op admiraal Cornelis Tromp en een spottend grafschrift van de Zweedse koning Karel X Gustaaf. Dergelijke teksten roepen vragen op: welke Nederlandstalige gedichten circuleerden er in vroegmodern Polen? Hoe kwamen ze daar, wie schreef ze op, in wat voor manuscripten en waarom? En werd er ook Nederlandstalige poëzie gedrukt in Polen zelf?
Enter de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, die mij verblijdt met een Fellowship om deze vragen onder de loep te nemen. In de winter van 2025/2026 trein ik vervolgens tweemaal oostwaarts, om gericht naar vroegmoderne Nederlandstalige poëzie te zoeken in Gdańsk en Toruń: de twee rijkste steden in het noorden van het Koninkrijk Polen, waartoe ze behoorden tussen 1466 en 1793. Vanaf de late zestiende eeuw woonden in en rondom Gdańsk honderden zo niet duizenden Nederlandse handelaren, ambachtslieden en andere migranten (betrouwbare cijfers ontbreken vooralsnog), die ook verder landinwaarts trokken, richting Toruń. Bovendien importeerden lokale boekverkopers, geleerden en nieuwsmakers drukwerk uit de Lage Landen. Zodoende verspreidde de Nederlandse taal zich over Polen – en ook de literatuur.
Avonturen in Toruń en Gdańsk
Ik besluit me te richten op poëzie in gelegenheidsdrukken en manuscripten, niet in gedrukte bundels: daarvan is vaak niet duidelijk hoe en wanneer ze in Polen zijn geraakt. De zoektocht daarnaar biedt zoals altijd een rollercoaster aan interessante ontmoetingen en ervaringen met het bibliotheek- en archiefwezen, dat overal weer een beetje anders blijkt te functioneren.
In het historische centrum van Toruń, de stad van Copernicus, word ik verwelkomd door een toepasselijke muurschildering, gemaakt door de plaatselijke kunstenares Iwona Liegmann: Hendrik Marsmans befaamde ‘Herinnering aan Holland’ viert er de stedenband met Leiden, zij aan zij met een fraaie Poolse vertaling door neerlandicus Jerzy Koch. Veel aanweziger kan Nederlandse poëzie niet zijn. Een paar straten verderop, net buiten het centrum, staat de Książnica Kopernikańska. Het roze gebouw vormt de belangrijkste plaatselijke bibliotheek. Een aantal dagen zit ik er als enige lezer in een kleine ruimte met vier medewerkers, van wie één zich over mij ontfermt: zij heeft zelfs al wat zoekwerk verricht en legt direct een paar oude drukken voor mij neer. Dat is extra waardevol omdat op de website niet op taal kan worden gezocht: er zit niets anders op dan de aanwezige kaartenbakken en vooroorlogse papieren catalogi door te spitten. Grote behulpzaamheid ervaar ik ook in de universiteitsbibliotheek, waar men eveneens wat voorwerk heeft verricht, en in de plaatselijke afdeling van het Staatsarchief, waar schijnbaar de enige medewerker van dienst heel wat calorieën verbrandt om zo snel mogelijk allerlei forse foliobanden voor mij uit het depot te halen. In Gdańsk bezoek ik eerst de bibliotheek van de Poolse Academie voor Wetenschappen, waar ik al eerder de hierboven besproken vondsten deed. In de sfeervolle, neogotische leeszaal vraag ik dagen achtereen zeventiende-eeuwse manuscripten en oude drukken aan, en word ik wederom uitstekend geholpen. Een paar keer overschreidt het personeel zelfs schoorvoetend de eigen regels, opdat ik nét iets meer kan inzien dan strikt genomen is toegestaan: ‘Vooruit dan, meneer komt helemaal uit Nederland!’ Die toeschietelijkheid is minder vanzelfsprekend in het lokale Staatsarchief, dat zich naast de bibliotheek bevindt. Wegens een verbouwing is de leeszaal tijdelijk verplaatst naar een klein, klinisch vertrek, waar altijd minstens drie of vier mensen met hun neus in de boeken zitten. Evenals in de bibliotheek moeten deze bezoekers vertrouwen op papieren in plaats van digitale catalogi, maar anders dan in de bibliotheek zijn handschoentjes hier verplicht – aan het einde van de dag kleurt het witte katoen steevast zwart van het eeuwenoude stof.
Hoewel ik echter aanvankelijk originele bronnen overhandigd krijg, word ik op enig moment lelijk verrast met de nachtmerrie van elke onderzoeker: microfilms. De moed zinkt me nog dieper in de schoenen als ik de directrice spreek: ‘Meneer, we moeten streven naar een systeem waarin we mensen nooit meer originelen te lezen geven.’ Eenmaal bekomen van deze ontboezeming, weet ik de directrice gelukkig alsnog te overtuigen van het belang van hands-on archiefonderzoek: ik mag een ruime selectie maken van bronnen, die ik vervolgens zoals vanouds op mijn gemak kan bestuderen. Nachtmerrie afgewend.
Nieuwe pagina’s
Sterker nog, ik kan het Fellowship gerust een droom noemen. Al met al breid ik het corpus vroegmoderne Nederlandstalige gedichten uit van vijftien – want zoveel had ik er aanvankelijk – naar vijfenveertig verschillende composities: een verdriedubbeling. Zeventien daarvan zijn gedrukt. Een paar, afkomstig uit Leiden en Amsterdam, heeft een inwoner van Toruń destijds toegevoegd aan een grote verzameling gelegenheidspoëzie in het Latijn, Duits en andere talen. Bovendien verschenen in Gdańsk, Toruń en Wschowa, een stad in het westen van Polen, minstens vier drukken met Nederlandstalige gedichten. De overige achtentwintig teksten zijn neergepend in dikke, meertalige manuscripten die de sociale elites samenstelden ter lering en vermaak. Dergelijke handgeschreven gedichten lijken voorbehouden aan Gdańsk: in Toruń vind ik er geen. Wél een constante is het feit dat vrijwel alle teksten, gedrukt of handgeschreven, gelegenheidswerken zijn uit de zeventiende eeuw. Ze gaan dus bijna altijd in op de actualiteit, zowel lokaal als internationaal: van een bruiloft of overlijden van een dierbare, tot de daden van Oliver Cromwell. Bovendien kan ik lang niet alle gedichten traceren naar bronnen uit de Lage Landen en zijn de meeste gedichten anoniem. De beroemdste auteur die bij naam genoemd wordt, is Vondel: zijn ‘Vrye Zeevaert Naer Oosten’ uit 1658 werd herdrukt in Gdańsk. Veel van de overige gedichten zijn zonder twijfel ter plekke gecomponeerd en op schrift gesteld.
Daarmee is één ding zeker: ook in zeventiende-eeuws Polen las, schreef en drukte men Nederlandstalige poëzie. Verhoudingsgewijs waren dergelijke gedichten wellicht niet erg talrijk, maar ze waren wel duidelijk aanwezig in het literaire landschap. Het onderzoek in Gdańsk en Toruń draagt dus bij aan nieuwe pagina’s in de geschiedenis van zowel de Nederlandse als de Poolse letterkunde. Terwijl ik mijn vondsten verder uitwerk richting een artikel, kijk ik daarom alvast uit naar 2027: misschien vind ik vroegmodern Polen dan wel terug in het eindexamen Nederlands.

Onderzoek in de bibliotheek van de Poolse Academie voor Wetenschappen te Gdańsk, 2025.