Van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heb ik een fellowship toegekend gekregen. Dit maakt het voor mij mogelijk weer een stap te zetten in mijn promotieonderzoek naar het leven en werk van uitgeefster, dichteres en schrijfster Mea Mees-Verwey (1892-1978). Met deze toekenning heb ik me gericht op de relatie tussen Mea Verwey en Johan Huizinga (1872-1945), hoogleraar aan de Universiteit Leiden en lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Tijdens het grasduinen in het archief van Verwey, stuitte ik op een brief, één van de vele, aan haar vader waarmee een link werd gelegd met het archief van Huizinga. Dankzij het fellowship kan ik dit verder onderzoeken.
In die brief aan haar vader, dichter en criticus Albert Verwey (1865-1937) vraagt ze hem of hij haar promotor wil worden. Hij is op dat moment hoogleraar Nederlandse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit Leiden, zij is bezig met een promotieonderzoek aan dezelfde universiteit. Het onderwerp van haar promotie betreft de (omstreden) Taal- en Letterkundige Johannes van Vloten (1818-1883), haar grootvader. Aanvankelijk is hoogleraar Johan Huizinga haar begeleider, maar hij zegt gaandeweg het traject zijn medewerking op. Ik werd nieuwsgierig naar de achterliggende reden hiervan. In mijn vooronderzoek naar deze kwestie was ik er achter gekomen dat Huizinga bezwaren had tegen de toekenning van het hoogleraarschap van Albert Verwey: hij was geen liefhebber van de Tachtigers, de dichtersgroep die mede door Albert Verwey was opgericht, en Verwey was niet academisch opgeleid. Daarnaast wilde hij veel liever zijn goede vriend André Jolles als collega hebben. Dit maakt het extra interessant dat Mea Verwey uitgerekend haar vader vraagt als opvolger, mede omdat het onderzoek dus zijn schoonvader betrof.
Het onderzoek naar de relatie tussen Mea Verwey en Johan Huizinga, dat nog lopende is, wordt enigszins bemoeilijkt doordat een heel aantal brieven van en aan Huizinga verloren zijn gegaan. Daarnaast correspondeerde hij nauwelijks met collega’s omdat hij hen immers op het werk sprak. Bij het zoeken naar ander bronmateriaal kwam ik het Gedenkboek van het sodalicium literis sacrum. Vijftig jaar letterkundig studentenleven te Leiden, 1872-1922 tegen. Een jubileumboek van de studentenvereniging waar Mea Verwey lid van is geweest.
Mea Verwey heeft dit gedenkboek geschreven én uitgeven. Naast een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen lijkt het vooral een goede gelegenheid om een aantal zaken recht te zetten die haar dwars zitten. Zo bespreekt ze ‘kleine schermutselingen’ tussen oude en nieuwe leden van de vereniging. ‘Kalff raakte slaags met Kraemer en van der Leeuw’ en ‘Bosch bestookte waar hij kans zag, Mea Verwey, wier zeer rythmiese en weinig metriese wijze van versvoordracht, door Bosch als het geluid van een aangeblazen orgelpijp gequalificeerd, hevige bestrijding enerzijds en verdediging anderzijds opwekte.’ Het verhaal bevat een heel aantal van dit soort speldenprikjes naar oud-leden die nog in leven zijn en die ze persoonlijk kent of via hun werk. Het boekje levert voor mijn onderzoek een mooie bijdrage aan haar karakterschets, maar geeft helaas nog geen verklaring voor het terugtrekken van Huizinga. Daarom ga ik dapper voorwaarts.

Verantwoording:
Dit onderzoek vormt een deelstudie voor een promotieonderzoek waarmee ik in 2022 ben gestart aan de Universiteit van Amsterdam met als begeleider Lisa Kuitert. De werktitel is Meer dan een vrouw. Het leven en werk van uitgeefster Mea Verwey.
Albert Verwey was hoogleraar aan de Universiteit Leiden van 1924 tot 1935.
Het archief van Mea Mees-Verwey bevindt zich in de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam.
Het citaat komt uit Gedenkboek van het sodalicium literis sacrum. Vijftig jaar letterkundig studentenleven te Leiden het gedenkboek, 1872-1922, Santpoort, Uitgeverij C.A. Mees, pag. 70.