Peter Altena gaf Nederlands aan het Dominicus College in Nijmegen en publiceerde de voorbije jaren veel over de Nederlandse literatuur van de achttiende eeuw. Hij promoveerde in 2011 aan de Radboud Universiteit Nijmegen met de biografie 'Gerrit Paape (1752-1803). Levens en werken'.
recente columns:
gepubliceerd op 10 februari 2021
Wat zag Nicolaas Beets in Hees?

In zijn Leidse studentenjaren was Nicolaas Beets (1814-1903) ongelooflijk hip en wild. Haast onvoorstelbaar dat uit deze wildebras een luimige prozaschrijver (Hildebrand) en een brave dominee-dichter groeide, die – toegegeven – in zijn oude dag beschikte over machtige bakkebaarden. Zo onvoorstelbaar, deze metamorfose, dat dat in kleine kring ‘het probleem-Beets’ ging heten. Zelf noemde Beets zijn studententijd ‘mijn zwarte tijd’.

In augustus 1835, midden in die zwarte tijd, bezocht de twintigjarige Beets de oude stad Nijmegen. Zijn vier jaar oudere neef en studievriend Abraham Scholl van Egmond had zich dat jaar in Nijmegen gevestigd als arts. Zij hadden beiden belang bij dat bezoek: Scholl van Egmond kreeg als het ware het studentenleven van Leiden, waar hij juist afscheid genomen had, weer even op bezoek en de romantische Beets kon in de omgeving van Nijmegen het bijzondere landschap indrinken. Misschien dat Beets zo ook even kon bekomen van de drukte die hem als Leids wonderkind omgaf.

Sommige dagtochtjes ondernam Beets met zijn neef, meestal trok hij er alleen op uit. In het dagboek dat hij bijhield (en dat in 1983 in een prachtige editie van Peter van Zonneveld verscheen), is dat goed te volgen. Het is goed mogelijk dat Beets zich bij zijn wandelingen liet leiden door Het Geldersch Lustoord van Cornelis ten Hoet Jz, een gidsje dat in 1825 bij de Weduwe J.C. Vieweg & Zoon verscheen. In de noten bij de Nijmeegse passages maakt editeur Van Zonneveld met recht en vrucht gebruik van het boekje van de Nijmeegse dichter-notaris.

Vanzelfsprekend keerde Beets enkele malen zijn schreden in oostwaartse richting: op maandag 17 augustus bijvoorbeeld wandelde hij naar Beek via Persingen. De heenweg vond hij niet veel aan, hij miste de schaduwen, maar wat hij daarna aan ‘points de vue pittoresques’ zag kon zijn goedkeuring wegdragen. Ook bekeek hij enkele attracties in de stad.

Op zaterdag 15 augustus moet hij Hees gezien hebben. Ten Hoet nam in zijn Geldersch Lustoord Neerbosch, Hees en Weurt even bij elkaar, Beets beperkte zich tot Neerbosch, maar wat hij daar zag? Wie hij daar zag?

‘Heden te Neerbosch, de schoonste vrouw gezien die ik ooit in mijn leven zag; parfaite beauté, non seulement par la physionomie, mais aussi par la taille, les mains et les pieds. C’est Madame M.’

Oei! Wie is zij? Editeur Van Zonneveld noteert: ‘Madame M.: niet gevonden.’ Beets heeft het in Neerbosch (of Hees) nog wel over haar gehad: hem werd verteld ‘dat een luitenant der Kurassiers (v.V.) op een bal plotseling zoo verliefd op haar geworden is, dat hij haar eensklaps om den hals viel en kuste.’ De identiteit van de luitenant is ook al niet onthuld.

De mooiste zin in het verslag van 15 augustus is de voorlaatste: ‘Mevr. M. mag nooit alleen uitgaan.’ Beets noteert verder dat Madame kinderloos is, al is niet duidelijk waarom hij dat wenste te noteren. Door dat ene zinnetje, dat mevrouw niet alleen over straat mag – een gevaar voor haarzelf en anderen, blijkbaar -, is te begrijpen waarom Beets aan Hees geen woord wijdde. Denkend aan ‘de schoonste vrouw’ ooit ging Beets als een slaapwandelaar door Hees en zag niets. Mij lijkt dat Hees dat Beets mag vergeven.

Ben natuurlijk razend benieuwd naar deze Neerbossche Loreley, al is de kans dat we deze mooie vrouw nog in leven aantreffen gevaarlijk geslonken. Gelukkig hebben we onze fantasie nog.