
Mario Molegraaf belicht in deze rubriek recent verschenen bundels van Nederlandse en Vlaamse dichters. Deze keer schrijft hij over Een vrucht, die valt van Karel van de Woestijne:
Zelfs vanuit mijn flat in de dichtstbevolkte wijk van Nederland is de lege hemel te zien. Leeg? Als het donker is, stralen de maan, sterren, planeten, de planeet Venus vooral. Ik zeg dan steevast, soms zelfs hardop: ‘Ik ben met u alleen, o Venus, felle star’. Een citaat van Karel van de Woestijne (1878-1929), misschien niet onze grootste, maar zeker onze stelligste dichter. Zijn regels hebben de ongenaakbare toon van natuurwetten, regels als ‘alle einders zijn ontgonnen,/ en elke tocht gemeerd’. Alles geweest, alles voorbij, alles afgesloten. Nee, vrolijk was deze Vlaamse auteur nooit, zelfs zijn geloof was somber.
Zijn gedichten, nu gebloemleesd door Dirk Christiaens in Een vrucht, die valt, laten zich vaak lezen als zelfportretten. Toen hij zijn vijftigste verjaardag naderde, maakte hij de balans op in een sonnet, meedogenloos als een messteek: ‘Ik ben het norse kind dat niet-zijn blijft benijden,/ de laffe man die niet en lijdt dan om te lijden/ – Maar ʼk heb Uw schoot, o God, voor vijftig jaren schuld’.
Dat zelfinzicht noopte hem niet of nauwelijks tot nederigheid. Over zijn dichterschap voorspelde hij: ‘Gij zult mij allen, allen kennen,/ maar ʼk zal voor allen duister zijn’. Met die roem is het tegengevallen, maar duister is en blijft zijn werk vol toverspreuken als ‘Geur van het reeuwse beest; geur van de beurse vrucht’ en ‘alleen gedreven/ door zoele zomer-winden in de lage reven’.
Hij had zijn voorbeelden, al even ondoorgrondelijke Franse dichters. Maar achter een van de mooiste gedichten van Karel van de Woestijne, ‘Zou’n wij geen glaasken mogen drinken?’, schemert het negentiende-eeuwse lied over Piet Hein en de Zilvervloot. De decadente dichter als ruige zeebonk. Het gaat in het lied en in het gedicht over ‘zilveren matten aan boord’ en ‘al bennen onze daden groot’. Dat laatste woord rijmt bij hem uiteraard op dood: ‘En als men moede is, kan men rusten/ in uwe warme haven, Dood’. Ook boven die haven straalt, uiteraard in ‘gloeiende eenzaamheid’, Venus.
Mario Molegraaf
Een vrucht, die valt. Honderd gedichten, Uitgeverij P, paperback, 144 pag., € 24,50
ISBN: 9789464757958