gepubliceerd op 12 juni 2018
Dames in Data: Elisabeth Eybers – 1957

In mei 2018 herdenkt de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde dat 125 jaar geleden vrouwen werden toegelaten tot de Maatschappij. Al eerder waren er ereleden benoemd, zoals Geertruida Bosboom-Toussaint in 1870, maar in 1893 werden de eerste dertien talentvolle vrouwen ‘gewoon lid’. Om de paar weken kunt u op deze website een blog verwachten over memorabele momenten in de literaire vrouwengeschiedenis. Vijfentwintig talentvolle vrouwen met een belangwekkende inbreng in de letterkunde, taalkunde of geschiedenis krijgen zo een digitaal monument. Deze keer Ena Jansen over Elisabeth Eybers:

 

Het ‘klinkklare’ oeuvre van Elisabeth Eybers (1915-2007)

1957: Elisabeth Eybers publiceert haar Versamelde gedigte

 

Door Ena Jansen

 

Op 11 juli 1957 stuurde de eigenzinnige en gerespecteerde Amsterdamse uitgever G.A. van Oorschot een telegram aan de Zuid-Afrikaanse dichteres Elisabeth Eybers in Johannesburg: ‘Uw bundel zojuist verschenen’. Op zijn verzoek had zij in november 1956 een selectie uit haar vorige bundels gemaakt. Versamelde gedigte zou een van de bestsellers uit Van Oorschots poëziefonds worden en bovendien de levensloop van de Zuid-Afrikaanse dichteres radicaal veranderen.

 

Eybers was in 1957 42 jaar oud en had reeds zes bundels met groot succes in het Afrikaans gepubliceerd: Belydenis in die skemering (1936). Die stil avontuur (1939), Die vroue en ander verse (1945), Die ander dors (1946), Tussensang (1950) en Die helder halfjaar (1956). Zij was trouwens de eerste dichteres die ooit een bundel in de jonge Afrikaanse taal had gepubliceerd. Zij was ook de eerste dichteres die de prestigieuze Hertzogprijs won. Minder dan vier jaar na de publicatie van Van Oorschots bloemlezing en haar volgende bundel Neerslag (1958) verhuisde Eybers in mei 1961 naar Amsterdam na haar echtscheiding van de vader van haar vier kinderen, de Zuid-Afrikaanse industrieel Albert Wessels.

 

Bijna dertig jaar later, in 1990, zei Eybers in een interview met Tomas Lieske en Willem Jan Otten: ‘Weggaan uit Zuid-Afrika was iets krankzinnigs, achteraf. (korte stilte) Als ik de gedichten niet had geschreven, ik weet niet of ik dan naar Nederland gegaan zou zijn.’ In Amsterdam zou ze de tweede helft van haar leven doorbrengen, nog eens veertien bundels publiceren en zowel de Constantijn Huygensprijs (1978) als de P.C. Hooft-prijs (1991) ontvangen. De gedichten die zij in Amsterdam schreef, hebben haar nooit van haar Zuid-Afrikaanse lezers vervreemd. Integendeel. Deze zogenaamde ‘Amsterdamse bundels’ verschenen altijd tegelijk in Kaapstad en Amsterdam: Balans (1962), Onderdak (1968), Kruis of munt (1973), Einder (1977), Bestand (1982), Dryfsand (1985), Rymdwang (1987), Noodluik (1989), Respyt (1993), Nuweling (1994), Tydverdryf/ Pastime (1997), Verbruikersverse/ Consumer’s Verse (1997), Winter-surplus (1999) en Valreep/ Stirrup-cup (2005). Ook in Zuid-Afrika werd Eybers steeds gelezen en geprezen en ontving zij tal van literaire prijzen en vier eredoctoraten. In het jargon van vandaag kan zij met gemak een ‘transnationaal’ schrijver genoemd worden.

 

Zintuig voor de tover en de dreiging van het dagelijks bestaan

Bij het verschijnen van Versamelde gedigte in 1957 viel onmiddellijk op met welk een vanzelfsprekendheid het werk van Eybers door recensenten tot de Nederlandse poëzie gerekend werd. De bundel werd buitengewoon gunstig ontvangen door alle critici die op dat moment regelmatig Nederlandse poëzie recenseerden voor invloedrijke kranten en tijdschriften. Ze hadden geen bijzondere problemen met het Zuid-Afrikaans en iedereen deed zijn best om de taalverwantschap met het Nederlands in een zo positief mogelijk daglicht te stellen. De toegankelijkheid van Eybers’ thema’s werd ook voortdurend benadrukt. Een extra aansporing voor Nederlandse lezers waren de lovende woorden dat zij een van de grootste – ‘voor Nederlanders hoofdzakelijk nog onontdekte’ – dichters in het Nederlandse taalgebied was. C. Bittremieux (NRC, 7 september 1957) vergeleek haar met M. Vasalis die volgens hem ook het ‘zintuig heeft voor de tover en de dreiging van het dagelijks bestaan’. Hij waardeerde het feit dat zij ‘bij voorkeur over een aantal tegelijk gewone en grote gegevens; geboorte en dood, eros, moederschap, het goddelijke, hoop, angst, herinnering’ schreef. Dankzij ‘een toenemend vormvermogen’ slaagde zij er volgens hem in om de ontroering steeds dieper in de ervaring te laten wortelen.

 

Pierre H. Dubois was een van de weinige critici die zich afvroegen wat dat ‘iets’ was dat Eybers’ werk zo aanvaardbaar maakte in Nederland. Zeer belangrijk vond hij de publicatiegeschiedenis van haar bundels: het feit dat G.A. van Oorschot en Em. Querido’s Uitgeverij haar bundels steeds in ‘luxe’-uitgaven direct op de Nederlandse markt brachten. De bundels hadden Afrikaanse titels, maar dat was verder geen belemmering omdat het óók Nederlandse woorden waren (met slechts kleine spellingsverschillen zoals in Dryfsand, Teëspraak, Nuweling, Respyt). De vormgeving, op gang gezet door Van Oorschot, heeft de aanvaardbaarheid van Eybers voor een Nederlands lezers- en koperspubliek dus zeker verhoogd.

 

Maar de voornaamste reden was toch wel de ‘herkenbaarheid’ van haar poëzie, zoals Dubois bij de uitreiking van de P.C. Hooft-prijs aan Eybers in 1991 zei: ‘Deze herkenbaarheid, van vorm, toon en algemeen menselijke inhoud, heeft haar reputatie in eerste instantie bij het Nederlandse poëzieminnend publiek gevestigd; paradoxaal genoeg eerder omdat het vertrouwd dan omdat het nieuw klonk. (…) Haar sterk vormvermogen sloot zo goed aan bij de Nederlandse poëtische traditie dat de lezer haast uit het oog verloor dat hij een ander, een vreemd idioom las, waaraan ongewone en niet steeds gemakkelijk te begrijpen woorden hem van tijd tot tijd herinnerden.’ De jury van de P.C. Hooft-prijs wees in zijn rapport bovendien op Eybers’ aansluiting bij de Nederlandse literaire traditie. Jurylid Remco Ekkers vatte het – zeer vereenvoudigd – zo samen: ‘Zij is eigenlijk heel Nederlands. Haar werk wortelt in onze poëzie. Dichters hier wijzen op haar invloed, zij heeft gewezen op de invloeden van Nederlandse dichters op haar werk. Onze conclusie luidde: ze hoort bij ons.’

 

Terwijl veel Nederlandse critici de nadruk legden op het gemak waarmee Nederlandse lezers kunnen doordringen tot haar werk, beklemtoonde Kees Fens in 1991 de moeite die lezers moeten doen willen zij achter de betekenis van haar gedichten komen: ‘Dertig jaar is in dit land een dichter bezig haar vreemdelingschap te bevestigen en te ontkennen (…) in poëzie in een taal die de onze niet is. Dat proces van vreemdheid die eigenheid is geworden zonder zichzelf te verloochenen, is uniek. En het zal niet veel eerder voorgekomen zijn dat wij ons land en onszelf zo voortdurend beschreven hebben gekregen en herkend in wat voor ons een spiegelschrift is.’

 

‘Geweldig vaderland’

Opmerkelijk genoeg brak Eybers definitief door met haar bundel Bestand (1982) in het jaar nadat Nederland het Cultureel Akkoord met Zuid-Afrika verbrak. Dat akkoord, in 1951 gesloten, was in 1977 bevroren door het kabinet-Den Uyl als reactie op onder meer de Soweto-opstand (1976), de dood van Steve Biko (12 september 1977) en het verbod op organisaties die actief tegen apartheid streden, en werd in 1981, onder druk van talrijke Nederlandse actiegroepen, eenzijdig en officieel opgezegd. Niettemin lukte het Elisabeth Eybers om zich als blanke Zuid-Afrikaanse succesvol te vestigen in de literaire elite van Nederland waar, zoals de Vlaming Stefan Hertmans ooit zei, ‘meestal erg hectisch aan opinionating’ werd gedaan.

 

Ondanks de steeds negatiever openbare mening jegens blanke Afrikaanstalige Zuid-Afrikanen tijdens vooral de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, bleef Eybers in het Afrikaans schrijven, de taal die door schrijvers als Adriaan van Dis en later ook Tom Lanoye en Gerrit Komrij wordt geroemd. De gelijktijdige aanwezigheid van zowel Afrika als Europa, daar en hier, was een kenmerk van haar werk geworden. Haar ‘geweldig vaderland’ tegenover een aangeharkt ‘tabelleland’ staat vooral voor ruimte tegenover beperking, het ontembare tegenover het gereglementeerde, het verleden tegenover het heden, ruimte tegenover beperktheid. In ‘Opgawe’ (Versamelde gedigte 2004: 568) uit Noodluik (1989) worden deze contrasten zo verwoord:

 

Ruimte, misterie, wanorde, tragiek

van ’n maatloos ontembare kontinent

was ín my gevesel, hoe kon ek krimp

tot voorgeskrewe omgewingsmimiek?

 

Na de vrijlating van Nelson Mandela en de eerste democratische verkiezingen in 1994 was Zuid-Afrika helemaal in. Komrij prees in zijn bloemlezing De Afrikaanse poëze in 1000 en enige gedichten (1998) ‘dat ijle, dat eenlettergrepige, dat schrijnende van het Afrikaans’: zoals hij zijn moeder ooit het liedje ‘Sarie Marais’ hoorde zingen en dat hij had herkend bij Eybers. ‘Dat kale en toch zo soepele, die kruising tussen angst en sarcasme, het lijkt een taal geschapen voor de poëzie.’

 

Een halve eeuw lang was Elisabeth Eybers de Afrikaanse dichterstem bij uitstek in de Lage Landen. Jarenlang zou zij, en later ook Breyten Breytenbach, de enige Afrikaanse dichterstem in het Nederlandse domein zijn, een domein waar een andere belangrijke Afrikaanse dichteres, Wilma Stockenström, pas na 1990 welkom was. Ondertussen treden Zuid-Afrikaanse dichters zoals Antjie Krog, Marlene van Niekerk, Charl-Pierre Naudé, Gert-Vlok Nel en Ronelda S. Kamfer nu regelmatig op bij Poetry International, Winternachten en andere evenementen. Zelfs al trad Eybers nooit in het openbaar op, zij heeft een plaats voor hen vrijgehouden.

 

De merel

Elisabeth Eybers heeft opmerkelijk veel gedichten geschreven over een zangvogel met wie zij zich verwant voelde, de merel, bijvoorbeeld ‘Somersonstilstand’ (Nuweling, 1994) waarin zij de langste dag van het jaar beschrijft. Maar wellicht is het gedicht waarin zij zich het meest verbonden met de merel beschrijft ‘Roem’ (Respyt, 1993). Het gedicht, vermoed ik, verwijst naar de vele eerbetonen die Eybers in 1990 te beurt vielen. Zij werd 75 jaar oud en ontving van de Universiteit van Stellenbosch, weliswaar in absentia, haar vierde eredoctorsgraad, en van de Stigting Jan van Riebeeck een gouden erepenning voor haar letterkundige prestaties. Een verzameling essays, de tweetalige liber amicorum Uit liefde en ironie, werd op haar verjaardag aan haar overhandigd, terwijl Nederlands meest eervolle literaire toekenning, de P.C. Hooft-prijs in datzelfde jaar aan haar werd toegekend. Precies in die tijd schreef zij het gedicht ‘Roem’. Ondanks deze roemrijke huldigingen en het feit dat zij ‘opwaarts gesleur (werd) uit anonimiteit’ – weliswaar een relatieve anonimiteit gezien het feit dat zij vanaf haar debuut in 1936 altijd sterk in de belangstelling had gestaan – wilde zij zich blijven vereenzelvigen met onopvallende merels die ondanks hun mooie zang nooit vereerd worden. Zij schrijft:

 

Eerlose voorjaarmerels, fluit, ek sal

ons afspraak nakom ondanks die geskal:

roem – aangepaste onberispelikheid –

raak ek uit louter agteloosheid weer kwyt.

 

In ‘Sonnnige voorjaar’ beschrijft zij merels die blijmoedig betoog/ teen later noodzaak om te swyg’:

 

’n Keel vol klinkklare weerbaarheid

waarborg ’n kosbare porsie tyd,

’n afgeronde brok respyt.

 

Net als de merels hield ook Eybers, voorlopig, de winter op een afstand.Van belang was dat zij dat altijd helder en ‘klaar’ deed. Altijd was zij zich sterk bewust van de troost van klank, van helderheid. Daarom dan ook dat de merel – voor haar dé weerlegging van de winter, dé verpersoonlijking van helder klank – een soort alter ego werd. De opname van Elisabeth Eybers’ voorlezing van haar gedichten op de cd Klinkklaar (2008) is een eerbetoon aan een dichteres die ondanks alle gure winters altijd weer het ‘sonnige voorjaar’ bleef loven in haar verwantschap met de merel.

 

Een opmerkelijk kenmerk van haar laatste vier bundels is dat zij tweetalig zijn: alle Afrikaanse gedichten hebben Engelse versies (‘versions’). Als jong meisje had Eybers al in het Engels, de taal van haar moeder, gedicht, maar dat zij dat ook aan het eind van haar leven ging doen, heeft alles te maken met het taalspel waarmee de oude dichteres de tijd verdreef (vergelijk de titel Tydverdryf/Pastime uit 1996), waardoor ze in de recycling van bestaande gedichten benadrukt hoezeer haar wereld gekrompen was, maar dat ze hoe dan ook bleef schrijven, zelfs een consument van haar eigen poëtisch bedrijf kon zijn (let op de titel Verbruikersverse/Consumer’s Verse uit 1997).

 

Op 1 december 2007 is Elisabeth Eybers in haar huis aan de Stadionkade in Amsterdam overleden. Zij heeft precies de helft van haar lange leven in Zuid-Afrika gewoond en de andere helft in Amsterdam: een leven in een uitzonderlijke balans. Zij ligt begraven op Zorgvliet. Haar laatste bundel was Valreep/ Stirrup-cup, gepubliceerd in februari 2005 toen zij 90 jaar oud werd. Haar laatste gedicht schreef ze een jaar later; het werd afgedrukt in haar overlijdensbericht:

 

Godsdienstigheid beweer

die siel bly voortbestaan

terwyl ek self begeer

om grondig te vergaan.

 

Na de dood van Eybers werd haar boekerij, bestaande uit meer dan 2000 titels en enkele persoonlijke artikelen zoals haar typemachine, door haar erfgenamen geschonken aan het Zuid-Afrikahuis aan de Keizersgracht in Amsterdam. Een catalogus is tijdens 2008 door twee Leidse studenten gemaakt en online gelanceerd tijdens een symposium over schrijversbibliotheken in 2013. In 2015 werd een gedeelte van haar boeken naar Bloemfontein verzonden en bewaard bij NALN, het Afrikaanse letterkundig museum. De familie van Eybers heeft haar archief ondergebracht bij het Literatuurmuseum te Den Haag.

 

Tal van kunstenaars zijn geïnspireerd door het werk én het sprekende gezicht van Eybers. In het Literatuurmuseum hangt een schilderij door Lia Laimböck en onder anderen Bert Nienhuis, Philip Mechanicus en Wim Ruigrok intrigerende hebben foto’s van haar gemaakt waarin vooral haar oogopslag opvalt. Het olieverfschilderij van haar gezicht, 130 x 110 cm uit 2007 door de Zuid-Afrikaanse Marlene Dumas is zeer indrukwekkend en werd prominent getoond tijdens Dumas’ retrospectieve tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam, Tate Modern in Londen en Fondation Beyeler in Riehen/ Bazel. Dumas zei over haar Eybers-schilderij: ‘Hoe langer ik naar de gedichten van Eybers luisterde, hoe groter mijn bewondering en waardering werd. En hoe meer overeenkomsten ik tussen haar werk en het mijne ervoer. Anders gezegd, ik groeide meer haar kant op. Er was een toenemend streven om het werk ‘kaler’ te krijgen. Om van schijnheilige overmoed verlost te worden.’ (The Image as Burden, Amsterdam, 2014:133). Een accuratere beschrijving van het ‘klinkklare’ oeuvre van Eybers is nauwelijks denkbaar.

 

Verder lezen

Deze bijdrage is gebaseerd op mijn boek, Afstand en verbintenis. Elisabeth Eybers in Amsterdam. Amsterdam, 1998.   Voor onder meer Schrijvende vrouwen. Een kleine literatuurgeschiedenis van de Lage Landen 1880-2010 (redactie Jacqueline Bel en Thomas Vaessens, 2010, Amsterdam University Press) heb ik ook al uit deze bron geput. In Nieuw Letterkundig Magazijn 31(2013) schreef ik ‘”Die winter wat sal duur…” Het weerwoord van Elisabeth Eybers’. Uit en tuis. ’n Bloemlesing (samensteling en nawoord Ena Jansen, 2001, Singelpockets) en Klinkklaar (bloemlezing en cd waarop Eybers vijftig gedichten voorleest; geselecteerd en van een inleiding voorzien door Ena Jansen, Querido, 2008) zijn andere bronnen die geraadpleegd zijn. Zie ook mijn artikel ‘Spiegelschrift ten Sneeuwwitje in anti-apartheid Nederland’. In: Rosemarie Buikema en Maaike Meijer (red.), Kunsten in beweging 1980-2000. Den Haag, 2004, p. 59-76 over de succesvolle interactie van de witte Afrikaanstalige Eybers en Dumas met de Nederlandse cultuur. Een documentaire over Eybers is gemaakt door Saskia Vredeveld (VPRO). Een interview met haar werd gemaakt voor de serie ‘Sandra (Prinsloo) op ’n drafstap’ (M-Net, Zuid-Afrika). Hier vindt u informatie over de boekerij van Eybers. Zie verder het lemma in het Vrouwenlexicon en in de DBNL.