gepubliceerd op 8 februari 2018
Dames in Data: Het Haags Damesleesmuseum – 1894

In mei 2018 herdenkt de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde dat 125 jaar geleden vrouwen werden toegelaten tot de Maatschappij. Al eerder waren er ereleden benoemd, zoals Geertruida Bosboom Toussaint in 1870, maar in 1893 werden de eerste dertien talentvolle vrouwen ‘gewoon lid’. Om de paar weken kunt u op deze website een blog verwachten over memorabele momenten in de literaire vrouwengeschiedenis. Vijfentwintig talentvolle vrouwen met een belangwekkende inbreng in de letterkunde, taalkunde of geschiedenis krijgen zo een digitaal monument. Deze keer Lizet Duyvendak over Het Haags Damesleesmuseum:

 

Door lezen wijder horizont

1894: Het Haags Damesleesmuseum gaat van start

 

Door Lizet Duyvendak

 

Op 15 mei 1894 ging aan het Noordeinde in Den Haag boven de fourniturenwinkel ‘De Katoenbaal’ het Damesleesmuseum van start. Dit Damesleesmuseum, een bibliotheek voor vrouwen, bestaat in 2018 nog steeds.

 

Waarom een bibliotheek speciaal voor vrouwen? We kunnen het ons in dit tijdsgewricht met digitale toegang tot bibliotheekcollecties over de hele wereld nauwelijks voorstellen, maar in de negentiende eeuw waren de meeste leesgezelschappen besloten, dat wil zeggen: het lidmaatschap was voorbehouden aan mannen. Openbare bibliotheken zoals wij die heden ten dage kennen, waren er nog niet: de eerste Leeszaal werd in 1892 te Utrecht geopend. Boeken lenen kon in commerciële winkelbibliotheken, vaak in combinatie met een (kantoor)boekhandel. Daarnaast waren er ook ideële instellingen, de bekendste daarvan zijn de bibliotheken van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, gesticht ter verheffing van het ‘volk’. Ook vanuit de christelijke en socialistische zuilen ontstonden volksbibliotheekjes: de St. Vincentius-, Christelijke Jongemannen-, en Toynbeebibliotheken.

 

Voor de hogere kringen waren er de leesgenootschappen. Deze ontstonden in de tweede helft van de achttiende eeuw op verschillende plaatsen in West-Europa. Onder invloed van de Verlichtingsfilosofieën wilden burgers zichzelf ontwikkelen. Ze vormden gezelschapjes die gezamenlijk boeken kochten en lazen: de leeskring. Soms groeide een leeskring uit tot een bibliotheek, namelijk wanneer men de boeken die onder de leden hadden gecirculeerd niet verkocht, maar verzamelde in een eigen ruimte. Dit type leesgezelschap staat bekend onder de naam ‘leeskabinet’ of ‘leesmuseum’. Van de meeste leesgezelschappen konden vrouwen niet zelfstandig lid worden. Boeken werden voor hen geleend door hun echtgenoot of vader, die zo ook meteen in de gaten konden houden welke lectuur door hun vrouwelijke gezinsleden werd gelezen.

 

‘Mei 1893’

Het plan voor de oprichting van een Leesmuseum voor vrouwen in Den Haag werd begin 1893 voor het eerst geopperd door Anna Bienfait. Zij kende via haar nichtje Betsy Bienfait het sinds 1877 bestaande Amsterdamse Vrouwenleesmuseum. Ook met de Kvindelig Laeseforening (de Vrouwen Leesvereniging opgericht in 1872) in Kopenhagen waren er contacten.

 

Er bleek echter minder belangstelling voor een Leesmuseum dan gedacht, en dus besloot men voorlopig te beginnen met een leesgezelschap. In mei 1893 richtten daarom twaalf jonge vrouwen uit de betere kringen van Den Haag de leeskring ‘Mei 1893’ op. Toen ‘Mei 1893’ enige maanden functioneerde, bleek de animo voor een Leesmuseum toch groter dan men aanvankelijk dacht en dus werden de oprichtingsplannen opnieuw opgevat. Enkele leden van ‘Mei 1893’ formeerden een bestuur en stelden een circulaire op. Hierin vermeldde het bestuur dat men

‘in navolging van het reeds bestaande in Amsterdam een Dames Leesmuseum wil oprichten. Het doel van het leesmuseum zal zijn, aan de leden gelegenheid te geven dagelijks de pas uitgekomen tijdschriften, waaronder ook interessante werken over kunst, brochures en boeken, ter lezing te vinden […] en eveneens nieuw uitgekomen romans.’

 

Bij de inrichting van de bibliotheek had men het Amsterdamse Vrouwenleesmuseum als voorbeeld. De leden mochten de boeken zelf uit de open kasten uitkiezen en schreven de boeken die ze wilden lenen ook zelf in een register. Daarmee koos het bestuur uitdrukkelijk voor een zogenaamde ‘open uitleen-vorm’ (free access), een methode die in de bibliotheekwereld, waar bevoogding van de lezers zeer gebruikelijk was, pas vele jaren later ingevoerd zou worden.

 

Het bestuur formeerde een ‘leescomité’ voor het kiezen van de nieuwe boeken. Boeken werden (en worden) op zicht geleverd door een aantal Haagse boekhandels en door twee comitéleden gelezen. Wanneer deze het met elkaar eens zijn wordt het boek al dan niet aangeschaft. Als ze het niet eens zijn, leest een derde lid het boek en haar oordeel geeft dan de doorslag. De oordelen van het leescomité werden opgeschreven. Een kaartsysteem met deze unieke boekaanschafadviezen van ‘gewone’ lezers vanaf 1945 is grotendeels bewaard gebleven.

 

Wat voor boeken konden de leden in het DLM aantreffen? De eerste boeken van de collectie waren afkomstig uit het bezit van ‘Mei 1893’. Omdat dit zeer recent verschenen boeken waren, vielen ze in de smaak. Er werden boeken (fictie en non-fictie), tijdschriften en brochures aangeschaft in het Nederlands, Engels, Frans en Duits. In principe werden de werken in de oorspronkelijke taal gekocht. Het Leesmuseum ging bij de boekaanschaf een geheel eigen weg en trok zich van de heersende opvattingen over wat vrouwen geacht werden (niet) te lezen, weinig aan. Het uitgangspunt was dat er voldoende leden moesten zijn die een boek met plezier zouden lezen, maar ‘boeken van onbestreden litteraire waarde, worden ook aangeschaft zonder deze zekerheid!!’ In januari 2017 telde de collectie ca. 33.000 titels, vooral romans, literatuur en lectuur. Ook biografieën en boeken over geschiedenis en kunst zijn ruim vertegenwoordigd.

 

De oprichting van het Damesleesmuseum in Den Haag in 1894 kan niet los worden gezien van het gedachtengoed van de eerste feministische beweging. In 1898 werd in Den Haag de Eerste Nationale Tentoonstelling voor Vrouwenarbeid georganiseerd. Verschillende (bestuurs)leden van het Leesmuseum, onder wie Margaretha Meyboom, Anna Bienfait, Marie Jungius en Margaretha Gallé waren hier actief bij betrokken. Het Damesleesmuseum nam ook als organisatie deel door het exposeren van enkele foto’s en de statuten. De presidente van de Tentoonstelling Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk was ook enige tijd bestuurslid van het Leesmuseum. Een van de doelstellingen van de toenmalige vrouwenbeweging was het scheppen van educatieve mogelijkheden voor vrouwen. Het Leesmuseum was daarvoor een ideale gelegenheid, getuige ook het Ex Libris: Door lezen wijder horizont.

 

Omzwervingen

Aan het eind van het eerste jaar had het Leesmuseum 146 leden. Er werd daarbij een ballotagesysteem gehanteerd. Het hoogste ledenaantal was in de jaren twintig: 1478. Het Leesmuseum was inmiddels na diverse verhuizingen wegens ruimtegebrek gehuisvest op Lange Voorhout 48. Het had in deze jaren zes personeelsleden in dienst: conciërges die ook lunches verzorgden, administratrices en een groom, een jongetje in livrei dat fietsen en jassen aannam en boeken thuisbezorgde. Het ontwikkelde zich tot een vergadercentrum voor allerlei vrouwenverenigingen, er werden lezingen gegeven en de schilderessenclub O.D.I.S. was ook lid. Lezen was niet meer het enige doel van het Damesleesmuseum. Dit kon men echter niet volhouden. Onder invloed van de ‘tijdsomstandigheden’ liep het ledental terug tot 1062 in 1941.

 

Tijdens de oorlogsjaren moest het Leesmuseum sluiten. De collectie werd door de Duitsers geconfisqueerd en grotendeels ingezet als bibliotheek voor de Rijks Radio Omroep in Hilversum. Een aantal ‘verboden boeken’ werd apart opgeslagen en heeft een wonderbaarlijke reis gemaakt: in 1992 kreeg het Leesmuseum vier romans van Israël Querido als ‘oorlogsbuit’ terug van de Rudominobibliotheek in Moskou.

 

Na de oorlog moest het Leesmuseum opnieuw opgebouwd worden. De meeste boeken kwamen uiteindelijk terug. Na omzwervingen over verschillende adressen werd in 1950 de huidige locatie aan het Nassauplein 15 gekocht. Twee verdiepingen van dit pand werden als bibliotheek ingericht, de overige verdiepingen worden verhuurd. Het 60-jarig bestaan werd gevierd met een receptie in Pulchri en met de uitgave van de herinneringen van mede-oprichtster Claudine Bienfait. Maar het ledental liep langzaam terug tot een dieptepunt van ongeveer 300 in 1985. Men overwoog zelfs om de ouderwetse naam ‘Damesleesmuseum’ te schrappen. Ook al was er vanwege de hoge kosten sinds de jaren zeventig geen personeel meer in dienst en werd sindsdien alleen met vrijwilligers gewerkt, toch stond het voortbestaan van het Leesmuseum op het spel. Er werd gezocht naar samenwerking, bijvoorbeeld met Sociëteit de Witte, en vanaf 1974 konden de echtgenoten van leden ook lid worden. Tot een grote toeloop van heren heeft dit echter nooit geleid.

 

Dankzij een verjonging van het bestuur en in hun kielzog ook van de leden bloeide de vereniging eind jaren tachtig weer op. Bovendien kreeg het Damesleesmuseum veel aandacht in de pers, zeker rondom het honderdjarig bestaan. In 2017 telde het 472 vrouwelijke en 31 mannelijke leden. Omdat veel hoogopgeleide vrouwen anno 2018 een baan hebben en lezen sowieso onder druk staat, is het een punt van zorg of het ledental in stand kan blijven.

 

Desgevraagd zeggen de huidige leden lid te zijn van het Damesleesmuseum vanwege de huiselijke ‘Couperiaanse’ sfeer van de bibliotheek, de bijzondere ‘op maat van de leden gekozen’ collectie (waar bovendien nooit boeken geruimd of in een depot opgeborgen worden) en het snel beschikbaar komen van actuele titels uit verschillende taalgebieden.

 

Verder lezen

Lizet Duyvendak, Het Haags Damesleesmuseum: 1894-1994. Den Haag, 1994. Lizet Duyvendak, ‘Door lezen wijder horizont’. Het Haags Damesleesmuseum. Nijmegen, 2003. Het Damesleesmuseum heeft een eigen website.