gepubliceerd op 12 juni 2017
Dames in Data: Nellie van Kol – 1900

In mei 2018 herdenkt de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde dat 125 jaar geleden vrouwen werden toegelaten tot de Maatschappij. Al eerder waren er ereleden benoemd, zoals Geertruida Bosboom-Toussaint in 1870, maar in 1893 werden de eerste dertien talentvolle vrouwen ‘gewoon lid’. Iedere twee weken kunt u op deze website een blog verwachten over memorabele momenten in de literaire vrouwengeschiedenis. Vijfentwintig talentvolle vrouwen met een belangwekkende inbreng in de letterkunde, taalkunde of geschiedenis krijgen zo een digitaal monument. Deze keer Fia Dieteren over Nellie van Kol:

 

‘En nu vaart allen wel! Exeo.’

1900: Nellie van Kol verlaat de redactie van De Vrouw

 

Door Fia Dieteren

 

Nellie van Kol (geboren als Marie Porreij in 1851) genoot omstreeks 1900 een zekere bekendheid in het Nederlandse taalgebied. Zij publiceerde onder haar nom de plume Nellie vanaf de vroege jaren 1880. Met haar Indische Kinder-courant en Bloemensprookjes richtte ze zich aanvankelijk op een jeugdig publiek; niet zo verwonderlijk voor deze onderwijzeres en gouvernante. Daarna volgden beschrijvingen van haar reis naar en verblijf in Nederlands-Indië. Na haar huwelijk met de sociaaldemocraat Henri van Kol in Indië in 1883 schreef ze in progressieve tijdschriften in Nederland en Vlaanderen over de vrouwenkwestie. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij in 1893 – kort na de terugkeer van het gezin naar Europa – een vrouwentijdschrift begon, kortweg De Vrouw getiteld, samen met haar Gentse vriendin Emilie Claeys. Vanuit haar thuis in het Belgische Aywaille nam Nellie  deel aan de discussie over de ‘vrouwenkwestie’.

 

In de eerste jaren was de toon van De Vrouw sociaaldemocratisch geïnspireerd; onderwerpen als vrouwenarbeid en kiesrecht kwamen meermaals aan de orde, maar al snel verlegde Nellie de focus naar moederschapszorg en kinderopvoeding. Ze toonde daarbij steeds meer belangstelling voor wat Jan Romein enigszins denigrerend ‘Petites Religions’ heeft genoemd; levensbeschouwelijke bewegingen zoals theosofie, boeddhisme en spiritisme, die omstreeks 1900 bijzonder populair waren.

 

035-040

Exeo

Nellies mededeling, op 18 augustus 1900, dat zij de redactie van De Vrouw neerlegt, kwam voor haar abonnees als een donderslag bij heldere hemel. Dat het geen gemakkelijk besluit was, konden zij lezen in haar afscheidsartikel met de dramatische titel ‘Exeo’. Deze Latijnse werkwoordsvorm kan – zoals Nellie zelf heel goed wist – op veel manieren vertaald worden, variërend van ‘ik ga weg’ of ‘ik sterf’ tot ‘ik treed naar buiten’. Een eenduidig antwoord op de vraag waarom ze De Vrouw overdroeg, geeft ze ook niet. Ze klaagt over zware vermoeidheid en over de verhuizing van Aywaille naar Princenhage bij Breda – vanwege de verkiezing van Henri tot parlementslid voor de SDAP – die voelt ‘als een zedelijk doodvonnis’. Ze laat de lezer raden wat ze hiermee bedoelt. Verder worstelt ze met de dubbele belasting: ‘Want ik ben niet alleen redactrice van een hoofdzakelijk opvoedkundig blad, maar ook het middelpunt van een gezin, waarvan ik de kalmte niet storen wil’. Vooral voor haar kinderen wil ze blijven leven ‘als Boeddhabeeld in een Paradijshof’. Niet dat zij helemaal niets meer wil doen, maar zij moet zich nu terugtrekken uit het openbare leven, ‘om de kracht die mij rest te sparen voor anderen arbeid, […] die mij toch voorstaat als een plicht, en roeping‘. Blijkbaar waren andere zaken belangrijker dan De Vrouw. Waarschijnlijk bedoelt ze hiermee de kinderliteratuur. De redactie van haar tijdschrift voor Kinderlectuur, Ons Blaadje, geeft ‘meer vreugd dan moeite’; daarmee ging ze na 1900 dan ook door. Ze eindigt haar ‘Exeo’ in stijl: ‘Beschouw mij als een doode; zijn dooden vergeet men niet, maar men laat ze ongemoeid. Laat mij dood zijn zoolang dit noodig is; zoodra het leven in mij mij weer prikkelt en drijft tot nieuwe werkzaamheid zal ik mij wel weer melden, en dan reken ik op de oude vriendschap en het oude vertrouwen. En nu vaart allen wel! Exeo.’

 

Haar fans waren in shock en organiseerden een collectief afscheidscadeau. In een brief, ondertekend door meer dan honderd lezeressen en lezers, bedankten deze haar, die ‘aller vraagbaak’ was geweest ‘vooral wat betreft de opvoeding onzer kleintjes’. Bij de brief hoorde een gravure en een geldbedrag om iets voor haar kinderen ‘te erlangen’. Nellie antwoordde per ommegaande: de gravure hing in haar bureau, dochter Lili (1886) had boeken gekocht (van Van Lennep) en zoon Ferdi (1891) een horloge. Het grootste deel van de donatie – 80 van de 120 gulden – hadden zij naar goede doelen gebracht zoals het ‘Heilsleger te Breda’.

 

035-042

Goede kinderboeken

In beschouwingen over Nellies leven wordt het neerleggen van de redactie van De Vrouw vaak gezien als een gevolg van haar ‘afdwalen’ van het socialisme. Ik zet mijn vraagtekens bij die lezing. In jaargang 7 ging het nog maar weinig over sociaaldemocratische thema’s. De Vrouw was vooral een ‘opvoedkundig blad’ geworden. Daar lag Nellies belangstelling en daarvan getuigt ook haar uitgebreide artikel ‘Wat zullen de kinderen lezen’ in De Gids van oktober 1899, waarin ze haar maatstaven voor goede kinderboeken presenteerde: ze moesten ‘naar het beginsel religieus, naar de strekking evolutionnair, naar den inhoud universeel en naar den vorm helder’ zijn. De uitleg die ze bij deze termen geeft, verraadt de invloed van theosofie en andere ‘kleine geloven’. Religieus bedoelt ze in de zin van Tolstoj; dus niet dogmatisch; evolutie in theosofische zin als verandering op zowel stoffelijk, als geestelijk gebied. Boeken die aan deze voorwaarden voldeden zouden vanzelf universeel en helder zijn. Zelf probeerde ze dit credo te realiseren, vanaf 1896 in Ons Blaadje en vanaf 1898 met de Volksbibliotheek voor Kinderen, bestaande uit 88 deeltjes. Aan dit magnum opus werkten veel bevriende auteurs mee, onder wie haar vriendin Nynke van Hichtum, echtgenote van SDAP-voorman Troelstra.

 

De verhuizing zal voor Nellie een ingrijpende gebeurtenis zijn geweest, maar de nieuwe woonplaats vlakbij Breda had ook zijn positieve kanten. Daar ontmoette zij vanaf 1899 verwante geesten, zoals de schrijfster Louise Stratenus. Deze was nauw betrokken bij het Leger des Heils en bij de opvang van ongehuwde moeders; twee bewegingen die Nellie na aan het hart lagen. De door de Van Kols bewonderde sociale priester Alphons Daens hield zijn rede in hun tuin; Nellie schreef erover in de Bredase krant. Een nieuwe wereld – die van de kindermuziek – ging voor haar open door kennismaking met de kinderoperette Jantje in Modderstad van de Bredase componiste Nelly van der Linden van Snelrewaard-Boudewijns. Nelly ging bijdrages leveren aan Nellies Volksbibliotheek. Hun belangstelling voor theosofie en spiritisme verstevigde de band; Nelly schoof regelmatig aan bij de spiritistische séances van de Van Kols. En de vriendinnen deden in 1899 ook onderzoek naar de arbeidsomstandigheden in de Bredase luciferfabriek.

 

Toen Nellie na haar eerste jaar in Breda haar drukke werkzaamheden niet meer aankon en zich gedwongen zag te kiezen tussen haar vrouwentijdschrift en de kinderliteratuur, heeft ze voor het laatste gekozen. Ze keerde daarmee terug naar het terrein waarop ze haar carrière was begonnen, maar kon daarbij vertrouwen op steun van gelijkgestemden in haar nieuwe omgeving.

 

Verder lezen

Fia van Dieteren, ‘Nellie van Kol – Van socialistisch feministe tot heilsoldate’, in: Mirjam de Baar, Yme Kuiper en Hans Renders (red.), Biografie en religie. De religieuze factor in de biografie. Boom, Amsterdam, 2011. Het IISG heeft een biografie aan Nellie van Kol-Porreij gewijd. ‘Wat zullen de kinderen lezen’ verscheen in De Gids van oktober 1899. De DBNL digitaliseerde Nellie’s groote vertelselboek. Sprookjes en vertellingen van Mevrouw van Kol uit 1931, met een voorrede van Nynke van Hichtum. Foto’s: Atria.