Liesje Schreuders (Amsterdam, 1979) studeerde cum laude af in de literatuurwetenschap met een doctoraalscriptie over de representatie van het Italiaanse karakter in het werk van Louis Couperus en Henry James. Ze vervolgde haar studie in Rome. Voorts voltooide ze een master culturele antropologie en sociologie der niet-westerse samenlevingen met een scriptie over de cultuur van de Vijftigers. Ze publiceerde twee romans en verschillende korte verhalen. Ze doceert Nederlands als tweede taal en literatuurgeschiedenis in Amsterdam. Onlangs verscheen van haar hand een vertaling van ‘Finisterre’ van Eugenio Montale.
de columns van Liesje Schreuders:
recente columns:
gepubliceerd op 17 september 2018
Uit

Een noodzakelijke stap in het proces naar volwassenheid is het uitlezen van boeken die je wilt uitlezen omdat je ze niet weg kan leggen.

Maar als je dan eindelijk de laatste bladzijde hebt omgeslagen en het boek dichtslaat met een te harde klap doet het pijn niet alleen aan je oren, maar ook aan je ziel en zou je willen dat je het boek nooit had gelezen. Of wel gelezen, maar dan nooit uitgelezen, hoewel dat toch het doel was van al dat lezen, want nu kan je niet meer terug en je kan ook niet meer verder, nooit meer... Een verwarrende, ingrijpende gedachte, voor een jong mens.

Ik herinner me mijn eerste keer. Het ging om een kinderboek dat in die tijd net was verschenen: Het gulden vlies van Thule, het derde en laatste deel van een inmiddels klassieke trilogie van Thea Beckman. Ik lag op mijn bed, het boek was op de grond gegleden en het gevoel van verlatenheid, of liever van vergeefsheid ("al ons lezen is vergeefs"), van verraad zelfs, dat me toen overviel omdat ik het uit had, was zo intens dat ik ervan begon te huilen. Heel hard.

Mijn vader kwam mijn kamer binnen, vroeg wat er aan scheelde en zei, toen ik het hem had verteld: ’Tja. Dit zul je nog wel vaker in je leven gaan meemaken. Maar er komen gelukkig nog veel andere mooie boeken, steeds weer. Vertel eens, waar ging dit over?’

Ik probeerde de inhoud van de trilogie samen te vatten, zodat hij het zou begrijpen en dus, dacht ik, zou begrijpen wat ik voelde; na zoveel jaar herinner ik me vooral het idealisme van het boek, op de manier die kinderen van een jaar of elf met name bevalt. Een grote atoomoorlog, waarbij de aardas was verschoven, zodat voorheen koude gebieden warm werden en warme koud – dat was de premisse van het verhaal; een nieuwe wereldorde, eeuwen ver weg, het gevolg; een conflict tussen politieke idealen de plot.

Het land waar het verhaal zich afspeelde heette Thule (een tropisch paradijs, op de plek van het voormalige Groenland); Thule werd gekoloniseerd door een volk dat Badeners heette, in feite Duitsers zoals we die kenden uit de verhalen van opa en oma: onbetrouwbare, agressieve mannen die technische vooruitgang belangrijker vonden dan geluk, liefde en schoonheid.

In het land van geluk, liefde en schoonheid, Thule, waren de vrouwen de baas. De mannen hadden er niets te zeggen. Dat was de voornaamste inzet van het boek. De mannen hadden in het verleden al zo veel onrecht aangericht, dat ze zich nu lijdzaam moesten voegen naar de leiding van een wijze koningin. Alle kinderen (jongens en meisjes) die ik kende en die de boeken over Thule hadden gelezen, konden zich daarin prima vinden.

Mijn vader luisterde geduldig naar mijn verhaal. Hij liet bijna niets blijken van zijn geamuseerdheid, die op den duur omsloeg in verveling en toen in ergernis. Hij herhaalde zijn belofte dat er nog vele boeken zouden volgen waarbij je hetzelfde gevoel zou hebben als ik nu had, maar welke dat waren, moest ik voor mezelf maar uitvinden.

Het klonk geheimzinnig en dat was het ook. Veel troost bood het niet.

’Wat moet ik nou, wat moet ik nou,’ jammerde ik, mijn kussen bevochtigend met mijn tranen. Tot mijn vader zich zo begon te ergeren dat hij zei dat ik dan in ’s hemelsnaam maar opnieuw moest beginnen met die rare eco-feministische toekomstroman, dat hij me nu verder met rust liet, hij was aan zijn eigen boek bezig en mijn stiefmoeder wilde ook nog iets zeggen.

Maar herlezen deed ik niet, want ik instinctief begreep ik dat de zoete pijn van het einde onherhaalbaar was.

En elke keer als ik nu weemoedig voor me uit staar na de laatste pagina van een intrigerend boek met een teleurstellend einde (teleurstellend, omdat het het einde is)... denk ik aan dat kamertje in dat huis van mijn vader, aan het boek van Lemniscaat met het geheimzinnig tekentje op de kaft dat, begreep ik pas later, een lemniscaat heet – en aan de belofte van de vele eindes die in dat eerste eind besloten lagen; een belofte die het leven inderdaad ruimschoots heeft ingelost.

Want ik heb het Thule-boek nooit meer teruggelezen, het staat ook niet in mijn boekenkast, maar een paar jaar geleden zag ik het weer in de handen van een jong meisje, de dochter van mijn toenmalige vriend, of liever: ik zag het boek in zijn handen, maar het was van haar.

We zouden samen onze vakantie doorbrengen in het huis van de ouders van die vriend, een verbouwde boerderij in het midden van Frankrijk. Er zouden ook andere vrienden en familieleden komen; het was een grote boerderij, met veel kamers.

Om redenen die me pas tijdens die vakantie duidelijk werden, had mijn vriend gevraagd of ik hem en zijn dochter niet wilde vergezellen op hun reis, maar liever had hij dat ik een dag later de trein zou nemen, alleen. Zo gezegd zo gedaan.

Toen ik aankwam in het dorp, in het huis dat zich aan de achterkant in vele kleinere huizen en stallen en bijgebouwen verdeelde, bleken mijn vriend en zijn dochter een tweepersoonskamer te hebben betrokken met twee eenpersoonsbedden aan het begin van de gang. Voor mij was er een andere slaapkamer, aan het andere eind van de gang, in orde gemaakt.

Ik was moe van de reis. Er drentelden voortdurend kinderen en ouders en vrienden en broers en zussen om elkaar heen; de eerste avond duurde maar en duurde maar, onder het uitwisselen van algemeenheden, het spelen met de kinderen, het verkennen van de omgeving van het huis. Toen mijn vriend zijn dochter naar bed was gaan brengen en niet meer terugkeerde in het gezelschap van de volwassenen, of zo leek het, zei ik welterusten tegen de anderen en klopte op hun kamerdeur aan.

In het schemerdonker van de hoge ruimte, in een van de twee oude, houten ledikanten die met hoofd- en voeteneind tegen aan elkaar geschoven tegen de muur stonden, lagen mijn vriend en zijn dochter in het licht van een zaklantaarn te lezen. Dat wil zeggen: hij las, zij luisterde. Hij las haar voor uit Het gulden vlies van Thule.

’O, dat boek ken ik,’ zei ik opgewekt, op mijn pantoffels naderbij komend, ’dat heb ik ook gelezen.’

’Wil je erbij,’ mompelde mijn vriend, hij sloeg de lakens open en maakte plaats. Een beetje.

Daarna las hij nog een paar bladzijden voor, mooi, moet ik zeggen, want voorlezen kon hij. Het verhaal, de belevenissen van de personages, was niet moeilijk te volgen en er zat een behoorlijk tempo in; toch bleef er ook die keer weer weinig van bij me hangen. De stijl leek nogal houterig en dat had ik wel verwacht na zoveel jaar; het verhinderde me niet op de reactie van het meisje te letten, dat aan haar fronsend gezichtje te merken geraakt, of liever gezegd ontroerd leek door wat ze hoorde en vooral, nam ik aan, door wat ze er in zichzelf bij lag te bedenken.

Toen haar vader haar aan het eind van het hoofdstuk aankondigde dat het nu tijd was om te gaan slapen, smeekte het meisje hem om door te gaan met voorlezen.

’Nou ja, vooruit, nog één hoofdstuk dan,’ zei mijn vriend en hij sloeg het boek weer open. Ik herinnerde me dat mijn vader, als hij klaar was met voorlezen, altijd met veel nadruk een flinke hoek van een bladzijde omvouwde en dat dat gebaar dan voor mij het teken was om te gaan zeuren om alsjeblieft nog meer, nog eentje, alsjeblieft, het is zo spannend...!

’Het is écht een spannend boek,’ zei mijn vriend tegen zijn dochter, toen hij ook het volgende hoofdstuk uit en als vanzelf aan een nieuw begon. Ik grinnikte, alsof ik daarmee wilde aangeven dat ik ten minste wat boeken betreft op zijn en niet op haar niveau stond en dat we nu wel weer naar dat niveau konden terugkeren.

Maar dat was niet helemaal waar, want wat zijn dochter antwoordde, daar kon ik het alleen maar mee eens zijn.

’Ja, spannend, maar ik vind het voorál héél erg mooi,’ zei ze, ’zó mooi, dat ik zou willen dat het nooit meer ophield. Ik word er zelfs een beetje bedroefd van, van het idee dat het niet echt is, maar een..., ja, een verhaaltje! Zou het wel echt kunnen bestaan, zo’n land als Thule?’

’Tja,’ zei mijn vriend, ’fijn is dat hè, als je zo_n goed boek leest. Wat vind je er precies zo mooi aan?’

’Nou, van die mensen, dat ze zo in harmonie leven met de natuur. En dat de vrouwen er alles voor het zeggen hebben.’

’Denk je dat vrouwen het beter zouden doen dan mannen, als de vrouwen het voor het zeggen zouden hebben?’

De dochter haalde haar schouders op. ’Weet ik veel.’

Op de harmonie met de natuur werd niet ingegaan. Ik bedacht dat de moeder van het meisje, die ik alleen van een afstand kende, biologe was. Ze werkte, als ik me goed herinnerde, bij Milieudefensie.

’Het is wel een beetje ouderwets,’ zei ik aarzelend, ’dat idee dat vrouwen dichter bij de natuur zouden staan.’

Mijn vriend wierp een grijns opzij. Zijn dochter protesteerde: zij vond het tóch mooi, het was een boek dat je hele kijk op de wereld veranderde, iedereen in haar klas had het gelezen. Hoezo ouderwets?

’Ja, nee, natuurlijk, ik heb het vroeger ook gelezen en ik vond het ook heel mooi,’ verontschuldigde ik me.

’Nou, en?’ vroeg mijn vriend.

’Nou, niks.’

Het bleef even stil. Daar lagen we, krap en ongemakkelijk, in een ledikant in een boerderij in Frankrijk.

Maar het meisje, dat een praktisch en verstandig persoon was, wist het wel. ’Ik zou voor altijd verder willen lezen,’ zuchtte ze, terwijl ze haar zaklantaarn aan- en uitknipte. ’Maar ik ben nu een beetje moe van al die verhaaltjes.’

’Ga dan maar lekker slapen,’ zei haar vader met een groggy stem. Ik keek opzij. Hij lag ook al bijna te snurken. Het opengeslagen boek omgekeerd op zijn borst, zijn ogen gesloten, weggezakt in de grote, geborduurde kussens die zijn moeder daar had neergelegd. Tegen zijn schouder lag zijn dochter, nog dieper weggezakt.

Ze speelde met de lantaarn.

Ik hees mezelf omhoog en stapte uit het ledikant.

’Welterusten,’ mompelde mijn vriend.

’Tot morgen!’ riep het meisje.

’Tot morgen,’ antwoordde ik, niet twijfelend aan wat de toekomst zou brengen.