Liesje Schreuders (Amsterdam, 1979) studeerde cum laude af in de literatuurwetenschap met een doctoraalscriptie over de representatie van het Italiaanse karakter in het werk van Louis Couperus en Henry James. Ze vervolgde haar studie in Rome. Voorts voltooide ze een master culturele antropologie en sociologie der niet-westerse samenlevingen met een scriptie over de cultuur van de Vijftigers. Ze publiceerde twee romans en verschillende korte verhalen. Ze doceert Nederlands als tweede taal en literatuurgeschiedenis in Amsterdam. Onlangs verscheen van haar hand een vertaling van ‘Finisterre’ van Eugenio Montale.
de columns van Liesje Schreuders:
recente columns:
gepubliceerd op 6 april 2018
Schamperd

Ik verveel me.

Ik sla Remco Campert open. Zijn verzamelde proza. ‘Alle verhalen,’ is de juiste titel. Heel juist. Dat dekt de lading beter dan ‘Verzameld proza’. Verzameld proza, dat zouden trouwens ook zijn romans zijn en die staan er niet in. Tjeempie en Vurrukkulluk en Liefdesschijnbewegingen. Ook al van die goeie titels.

Ik lees een alinea en zoals altijd als ik Campert lees, krijg ik zin om te roken. De rookzin gaat gepaard met lust tot schrijven. De laatste lust is goed, de eerste is slecht. De laatste is misschien ook niet goed, want schrijven na het lezen van Campert betekent Campert proberen te imiteren. En Campert is, behalve door Campert, onimiteerbaar.

Ik steek een sigaret op en lees verder. Het is een vroeg verhaal, geschreven in de tijd dat Campert de wereld probeerde te bestrijden. Of te kietelen, dat is het woord. De wereld was doodsaai en Campert zou de wereld tot leven kietelen.

Nu is de wereld doodgekieteld en Campert schrijft niet meer. Maar we hebben zijn verhalen. ‘Verhalen voor na het kietelen.’ ‘Verhalen om bij uit te hikken.’ En om nog even mee door te lachen, tot de dood erop volgt.

Stoppen met schrijven – ik geloof er niks van. Als Campert stopt met schrijven, schrijft hij een dag later gewoon door, over hoe hij stopte met schrijven. Titel: ‘Hoe ik met schrijven stopte.’

Mijn sigaret is alweer op. Camperts hoofdpersoon (genaamd ‘ik’) steekt er nog eentje op. Ik kan niet achter blijven.

Het verhaal van Campert dat ik lees, gaat nergens over. Over schrijven. Over een kat. Over een geliefde. Zijn geliefdes zijn altijd ergens anders. Of als ze er zijn, blijven ze nooit lang. Of hij, de ‘ik’ uit het verhaal, wil bij ze weg. Soms komen ze weer terug. Soms keert de ‘ik’ terug, met hangende pootjes. Lang duren de liefdes toch nooit. Maar dat hoeft ook niet; Camperts vrouwen lijken allemaal op elkaar. En zijn mannen ook.

Het verhaal speelt zich af in een tijd dat de Campert, ik bedoel de ‘ik’, arm was. Dat hij voor 150 francs op een hotelkamer zat en brokjes in thee gedoopt brood at. Geen geld voor een fles jenever. Dan ging hij maar naar het café.

Zo lang geleden is het dus, dat je naar het café moest als je geen geld voor een fles jenever had. Dat je voor 150 francs in een hotel kon wonen.

Ik ben jaloers.

Ik heb Campert een keer geïnterviewd. Dat was een mislukte actie. Ik had niets te vragen en Campert deed zijn best om dingen te vertellen die ik al wist. Het opnameapparaat bleek achteraf ook niet te hebben gewerkt. Ik was veel te zenuwachtig om aantekeningen te maken.

Achteraf schaamde ik me zo voor deze mislukking, dat ik nooit meer iets van me heb laten horen.

Ik kwam hem nadien nog één keer tegen, in de Stadsschouwburg. Dat wil zeggen: ik zag hem staan en heb me snel omgedraaid. Als hij het zou weten, zou hij het wel begrijpen, dacht ik.

En met die gedachte troost ik me nu maar.