Liesje Schreuders (Amsterdam, 1979) studeerde cum laude af in de literatuurwetenschap met een doctoraalscriptie over de representatie van het Italiaanse karakter in het werk van Louis Couperus en Henry James. Ze vervolgde haar studie in Rome. Voorts voltooide ze een master culturele antropologie en sociologie der niet-westerse samenlevingen met een scriptie over de cultuur van de Vijftigers. Ze publiceerde twee romans en verschillende korte verhalen. Ze doceert Nederlands als tweede taal en literatuurgeschiedenis in Amsterdam. Onlangs verscheen van haar hand een vertaling van ‘Finisterre’ van Eugenio Montale.
de columns van Liesje Schreuders:
recente columns:
gepubliceerd op 30 september 2017
Onschuldige vergelijkingen

"Can you honestly say that there is anything in your short story that would not warm the heart of a Julius Streicher or a Joseph Goebbels?" (Philip Roth, The Ghost Writer)

 

’Vlak nadat [haar] vriendinnetje was opgehaald .... Toen zijn ze gevlucht. Het moest een keer gebeuren. (...) Ze hadden de dagen daarvoor langzaam al wat spullen weggebracht en bij [vrienden] neergezet. Op de dag zelf waren ze onafhankelijk van elkaar vertrokken, eerst haar moeder met [haar zus], daarna gingen zij (...).’

Bovenstaande las ik in een artikel in De Groene Amsterdammer over een 17-jarig meisje, Mary, dat met haar familie onderduikt om uit handen van de vreemdelingenpolitie te blijven. Het stuk gaat over het falende Kinderpardon en de schande van het Nederlandse asielbeleid. We volgen Mary’s pogingen om geen slachtoffer te worden, of te blijven, van dit beleid. Ze schrijft een spandoek.

Het woord ’onderduiken’ dat u hierboven tegenkwam (Van Dale: ’schuilhouden om zekere maatregelen te ontgaan, tijdelijk uit het openbare leven verdwijnen’), komt in de tekst van het artikel niet voor. Ook wordt er op geen enkele manier verwezen naar een bepaalde periode uit de Nederlandse geschiedenis. De canon van de Nederlandse literatuur wordt niet genoemd.

Toch drong zich nummer 85 van de lijst ’125 meest klassieke literaire werken uit het Nederlandse taalgebied’ aan me op, en wel het volgende fragment: ’Margot en ik begonnen het nodigste in een schooltas te pakken. (...) Margot stopte haar schooltas vol met schoolboeken, haalde haar fiets uit de stalling en reed achter Miep aan weg, naar voor mij onbekende verten. (...) Al maandenlang hadden we zoveel van onze inboedel en lijfgoed als mogelijk was het huis uit gedaan, en nu waren we net zover dat we vrijwillig op 16 juli wilden gaan schuilen. (...) Dat is voor buitenstaanders een beetje moeilijk te begrijpen, daarom zal ik het nader toelichten.’

Ik was één van de buitenstaanders voor wie Anne Frank het begrip ’schuilen’ of ’onderduiken’ in haar Dagboek heeft toegelicht – want dat is de literaire klassieker die ik hier bedoel. Ik heb op school, niet in de praktijk, geleerd wat het is. Dat het in Nederland voorkwam in de jaren 1940-1045 en daarna niet meer. Dat het gevolgd werd door kampen en de douches met gas.

’Waarom draaiden ze de kraan dan niet dicht?’ vroeg één van de meisjes in de klas. Ik herinner me dat we tijdens het speelkwartier een paar tafels en banken tegen elkaar aanschoven om onderduikertje te spelen. [We waren verdeeld in twee groepen en omstebeurt waren we iemand van de familie Frank of een boze nazi. We draaiden boekenkasten om, riepen ’help’ en ’jullie zijn ontdekt!’]

Als je op internet zoekt naar Anne Frank, kom je op sites waar kunstenaars en gekken hun persoonlijke onderduikfantasie uitleven in proza en poëzie. Vooral in Amerika lééft het subgenre van de ’what if... ’. Seks in het Achterhuis, Anne Franks dochter, je kunt het zo gek niet bedenken of het is wel ergens geschreven. In The Ghost Writer van Philip Roth komt een Anne Frank-fantasie voor die de oerversie van het genre genoemd kan worden. Roths alter ego Nathan Zuckerman fantaseert dat de studente Amy Bellette eigenlijk Anne is, dé Anne, die de oorlog heeft overleefd. Ze leeft incognito in de VS en slaat daar haar eigen mythevorming gade. Zuckerman zou met de overlevende Anne willen trouwen om zichzelf voorgoed te bevrijden van alle schuldgevoelens en schaamte, de wereld van een ondraaglijk verhaal.

De schrijfster van het artikel in De Groene, Irene van der Linde, heeft het helemaal niet over schuld en schaamte. Ze noemt Anne Frank niet bij haar naam, gebruikt Annes verhaal niet om haar eigen verhaal te verfraaien. Ze maakt geen enkele vergelijking tussen het verhaal van Mary en dat van Anne. Ik vraag me af waarom. Zou het kunnen dat de schrijfster wél aan Anne Frank heeft gedacht, maar dat ze weet dat het in Nederland niet is toegestaan (binnenkort ook bij wet verboden) om zulke vergelijkingen te maken?

Vergelijkingen tussen  de Tweede Wereldoorlog en de huidige politiek zijn vergezocht, smakeloos, afgezaagd en – wat het belangrijkste is –  contraproductief. Het heeft geen enkele zin om Anne Frank er weer eens bij te halen. Hoe vaak je ook onderduikertje speelt met je geweten, de geschiedenis blijft verscholen achter vele meters boekenkast. Het heden daarentegen – verrassing! – duikt op zonder dat je er iets aan kan doen.

Nu zijn literatuurwetenschappers zoals ik opgeleid om vergelijkingen te maken, het is onze grootste hobby, onze guilty pleasure zeg maar. Ik heb van mijn guilty pleasure mijn beroep gemaakt, maar in dit geval kan ook ik er slecht mee uit de voeten. Ik zou niet weten waar te beginnen.

Ik begrijp Irene van der Linde dus wel: eigenlijk gaan alle vergelijkingen tussen Mary’s verhaal en dat van Anne niet op. Ook de literaire niet. Om te beginnen op het niveau van de vertelling (de suzjet): het meisje uit het verhaal in de Groene, Mary, schrijft geen dagboek, ze schrijft een spandoek. Dat rijmt wel, maar het is toch wat anders. Mary weet niet of ze op het spandoek dit of dat zal zetten; ze aarzelt nog over de inhoud. Zulke aarzeling is Annes dagboek vreemd. In literatuurwetenschappelijke termen: de modernistische zekerheid van het ordenende subject (Anne) maakt plaats voor postmodernistische, existentiële verwarring waarin waarheid en identiteit (Mary) in het luchtledige komen te hangen. Een heel andere literaire invalshoek!

Dan de context van het verhaal: Mary is geboren in Armenië en woont tien jaar in Nederland. Haar jongste zusje is geboren in een kamp. Dit jongste zusje, Aida, heeft vier jaar van haar leven in dat kamp doorgebracht. Dat is een stuk langer dan Anne Frank en haar zusje Margot. Bovendien waren het geen kampen in Belsen, Auschwitz of Madagaskar, maar in Den Helder en in Katwijk. We noemen Mary’s kampen geen concentratiekampen of vernietigingskampen (god verhoede), maar AZC’s en vrijheidsbeperkende gezinslocaties. (Rodaan al Galidi heeft er een heel interessant boek over geschreven, dat gewoon tijdens zijn leven is uitgebracht en dat Hoe ik talent voor het leven kreeg heet – een raadselachtige titel, maar op heel andere wijze raadselachtig dan Het achterhuis. Geen vergelijking dus!)

Dan op het niveau van de plot (fabula), de logische samenhang van de gebeurtenissen. In de eerste plaats ligt Mary’s lot niet in handen van mensen die het op haar leven gemunt hebben. Mary is overgeleverd aan de genade van maar één man, Klaas Dijkhoff, die toevallig de slimste mens van Nederland is. Mary zat jarenlang in de ’vrijheidsbeperkende gezinslocatie’ in Katwijk, maar dat was niet Westerbork of Vught en het kan daar, ik herhaal het nog maar eens, absoluut niet mee vergeleken worden. Mary mocht geen vriendinnetjes in de vrijheidsbeperkende gezinslocatie ontvangen en haar beste vriendin is alweer een tijdje geleden door de vreemdelingenpolitiek ’meegenomen’, maar Annes beste vriendin, haar dagboek, werd niet meegenomen. Aan de andere kant: de familie Frank werd in Westerbork in de strafbarak gestopt omdat ze zich niet vrijwillig hadden aangemeld voor massavernietiging; de familie van Mary wordt alleen gestraft omdat ze niet willen ’meewerken aan terugkeer’. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Nog één laatste punt van vergelijking dan die helemaal niet opgaat: de familie Frank werd vervolgd, de familie van Mary midden in de nacht van hun bed gehaald, geboeid weggevoerd en op een vliegtuig naar onbekende bestemming gezet... áls ze niet voortijdig zouden zijn ondergedoken.

Dan roept u misschien: ’Anne Frank is vermoord. Mary is niet vermoord. Mary kan niet vermoord worden. Er zijn geen mensen in Nederland die Mary willen vermoorden. Het woord "onderduiken" is niet van toepassing. De hele vergelijking is smakeloos.’

Dit soort vergelijkingen zijn smakeloos, dat ben ik met u eens. Ze laten een vieze smaak achter in je mond. Maar toch: de vraag of Mary vermoord zal worden, kunnen we nog helemaal niet beantwoorden, want het verhaal van Mary is – in tegenstelling tot dat van Anne – niet af.

Er is nog door niemand geroepen dat er ’minder, minder, minder’ Mary’s zouden moeten zijn. Er heeft nog niemand zijn misdadige, extreemrechtse fantasieën op Mary losgelaten. Terwijl degenen die ’minder, minder, minder’ Anne Franks riepen, schaamteloze extreemrechtse misdadigers waren en zulke mensen heb je niet in Nederland.

Zoals Willem Wagenaar van de Anne Frank Stichting onlangs in de Volkskrant uitlegde, moet een partij aan twee voorwaarden voldoen om met extreemrechtse misdadigers uit het grijze verleden vergeleken te worden.
Wagenaar: ’De partij moet een radicaal onderscheid voorstaan in een "wij"- en een "zij"-groep, waarin etniciteit een rol speelt. En er moet een duidelijke wens leven voor het inrichten van een autoritaire samenleving.’

De naïviteit waarmee Wagenaar veronderstelt dat een extreemrechtse partij van tegenwoordig openlijk zijn wens zou uitspreken, als die zou leven, voor het inrichten van een autoritaire samenleving doet niets af aan het feit dat de etniciteit van Mary geen enkele rol speelt in haar verhaal. Geen vergelijking, dus.

 

Dan de vergelijkingen die niet gemaakt mogen worden op het niveau van de personages, in het Engels characters. In de eerste plaats is de schrijfster van het spandoek in het artikel in De Groene geen dertien, veertien of vijftien jaar maar zeventien, oneindig veel ouder dan Anne. Letterlijk. Bovendien is Anne Frank een kletskous (anders zou ze het dagboek niet geschreven hebben – dit heet in de literatuurwetenschap een rechtvaardiging op metaniveau). Ze staat bekend als ’juffrouw kwek-kwek-kwek’, een grappig bedoeld alter ego.

Mary daarentegen wordt door de schrijfster van haar verhaal omschreven als ’verlegen’ en ’stil’, haar zusje als ’teruggetrokken’. Haar vader is niet de mythische Otto Frank maar gewoon een bezorgde man die ’s nachts niet kan slapen. Haar moeder is ’angstig’.

Kijk, nu heb ik hier toch een klein puntje van vergelijking gevonden. Op een gegeven moment valt namelijk ook Anne stil, zelfs Anne, zou ik moeten zeggen. Dat is op 29 juli 1943 als ze aan het afwassen is met haar huisgenoten. Ze heeft veel aan haar hoofd en om ’vragen te voorkomen’ begint ze over een boek dat ze heeft gelezen, een ’tamelijk neutraal onderwerp’. Anne spreekt een negatief oordeel uit over het boek en voor ze het weet keren de volwassenen zich tegen haar.

’"Je weet veel te veel van dingen af die niet voor je geschikt zijn, je bent totaal verkeerd opgevoed"’, zeggen mevrouw Van Pels en Pfeffer. ’"Later, als je ouder bent, heb je nergens meer plezier in, dan zeg je: dat heb ik twintig jaar geleden al in boeken gelezen. Je moet je maar haasten wil je nog een man krijgen of verliefd worden, jou valt zeker alles tegen. Jij bent in theorie al helemaal volleerd, alleen de praktijk, die mis je nog!"’

De lezer van Het achterhuis weet al (spoiler-alert!) dat Anne zich deze raad ter harte zal nemen. Ze zal zich haasten verliefd te worden op de enige jongen die nog voor dat doel in aanmerking komt. Voor haar kan het wel de ’laatste man ter wereld’ zijn. Net alsof Anne weet dat ze niet zo veel tijd meer heeft. Een prachtig voorbeeld van romantisch idealisme binnen de modernistische context van een massavernietiging.

’Stilte’, ’angst’ en ’fantasie’ zijn kortom thema_s waarmee we verschillende verhalen over heel verschillende onderwerpen met elkaar kunnen vergelijken. ’Oh, marry me, Anne Frank, exonerate me before my outraged elders...!’ roept Nathan Zuckerman in The Ghost Writer van Roth. Zijn fantasie is bijna dezelfde als die waar Het dagboek van Anne Frank keer op keer van getuigt. De fantasie over de tijd ’na de oorlog’ (geen fictie, maar werkelijkheid), de fantasie die oorlogsslachtoffers op de been houdt, soms lang na de oorlog. De fantasie die voor Anne altijd fantasie blijft: geen slachtoffer meer zijn.

We zouden Peter van Daan en Nathan Zuckerman de ’twee mannen in Annes fantasieleven’ kunnen noemen, als Peter van Pels niet echt had bestaan. Of als Peter niet echt had bestaan en Nathan Zuckerman wel. Als Nathan Zuckerman was omgekomen in de oorlog, in plaats van Peter van Pels.

Je zou een postpostpostmodernistisch verhaal kunnen bedenken over Anne Frank die in Het Achterhuis verliefd wordt op Nathan Zuckerman, van hem droomt, hem begeert – maar waarschijnlijk is zo’n verhaal ergens in Amerika al lang bedacht én geschreven.

Wat de beperking van elke fantasie over de oorlog, de improductiviteit van elke vergelijking, ten slotte aantoont. Want om het overleven van de een te kunnen fantaseren, moet je het overleven van allemaal kunnen fantaseren. Schindler’s List is er niets bij: je moet fantaseren dat er nooit een Jodenvervolging had plaatsgevonden. Je moet fantaseren dat er een aanslag op Hitler was gelukt, nog voor hij al te erge schade had kunnen aanrichten (Quentin Tarantino’s fantasie in Inglorious Bastards). Je moet fantaseren dat de democratie in Duitsland nooit werd afgeschaft, dat de rechtsstaat niet was afgeschaft, dat er redelijke wetten bestonden die voor iedereen golden. Dat die wetten goed en gewetensvol werden uitgevoerd. Je moet fantaseren dat de staat minderheden tegen de staat in bescherming nam, dat vluchtelingen niet door de mazen van de wet vielen zodra ze hun land verlieten. Dat kleine kinderen niet werden opgesloten in vrijheidsbeperkende locaties. Dat mensen konden leven zoals ze wilden onder redelijke bescherming van de overheid. Dat de rechter iedereen gelijk behandelde, staatsburger of niet. Je zou moeten kunnen fantaseren dat zo’n fantasie mocht en kon en dat je je er niet voor hoefde te verdedigen of te schamen.

Wat een werk voor de literatuur!

Laten we de tegenstanders van vergelijkingen nogmaals en volmondig gelijk geven. Laten we de literatuurwetenschap voor wat ze is, de discussies over het wel of niet vergelijken van de ene werkelijkheid met de andere,voor wat ze zijn. Laten we ons in het hier en nu exonereren – voor zover dat nog kan.

Laten we zorgen dat de vergelijking tussen Mary, Anne, Amy Bellette of welke onderduikster dan ook niet langer zullen voorkomen in onze geschriften.