Coen van 't Veer (Zierikzee 1968) studeerde Nederlands in Leiden. In 2013 werd hem de 'NWO promotiebeurs voor docenten' toegekend voor het schrijven van 'De kolonie op drift', een dissertatie over het koloniaal discours in fictie over de reis tussen Nederland en Indië in de periode 1850-1940. Hij publiceert geregeld over koloniale literatuur en is penningmeester en redacteur van Indische Letteren. Samen met Gerard Termorshuizen werkt hij aan een biografie over de Indische journalist en persmagnaat D.W. Berretty (1891-1934) en aan een verzameling columns van Herman Salomonson (1892-1942) over het Indisch leven in Den Haag in de jaren dertig van de vorige eeuw.
de columns van Coen van ’t Veer:
recente columns:
gepubliceerd op 27 maart 2019
Met Couperus naar Azië (en weer terug)

Op zaterdag 6 april houdt het Louis Couperus Genootschap zijn jaarlijkse Genootschapsdag in Museum Volkenkunde in Leiden. Het thema van dit jaar is Couperus in Azië.

De gelauwerde schrijver reisde in een tijdsbestek van vijftig jaar drie keer van Europa naar Azië en weer terug. In 1872 reisde hij als negenjarig jongetje met zijn familie van Den Helder naar Batavia. Zelf schreef hij daar niet over. Zijn toen vijftienjarige broer Frans hield echter een Journaal van de reis bij. Met geen woord rept hij over zijn broertje Louis of over andere gezinsleden, maar uit de twee volgeschreven schriften doemt wel een mooi beeld op van de reis. Zes jaar later zou Louis Couperus weer naar Nederland terugkeren.

Vlak voor de eeuwwisseling ging Couperus samen met zijn vrouw Elisabeth nogmaals naar Java om daar een jaar als toerist te verblijven. Hij deed tijdens het verblijf op Java de inspiratie op voor zijn beroemde roman De stille kracht.

In 1921 reisde het echtpaar op verzoek van de Haagsche Post wederom naar het eilandenrijk. Deze keer op uitnodiging van de hoofdredacteur S.F. van Oss, die Couperus in mei 1921 het aanbod had gedaan om voor 30.000 gulden een geheel verzorgde reis naar Azië te maken en daarover reisbrieven te publiceren. Hij zou eerst naar Nederlands-Indië gaan, het eilandenrijk waar zijn familie zulke sterke banden mee had, en vervolgens naar Japan. In dat land wilde hij in de lente het Kersenbloemenfeest bijwonen. Van maart tot september 1922 zou Couperus in het land van de rijzende zon verblijven.

Al heeft Couperus zelf niet viel over deze overtochten verhaald, toch kan uit het journaal van zijn broer Frans, Louis Couperus’ brieven en die van zijn vrouw een mooi beeld geschetst worden over de reizen per mailboot door het Suezkanaal die de Indische Hagenaar tussen 1872 en 1922 maakte. Het reisverslag van Frans geeft bijvoorbeeld een minutieuze beschrijving van de reis. De vijftienjarige noteert niet alleen trouw elk middagbestek, maar vertelt ook over kakkerlakken, het slachten van een koe en dronkenschappen aan boord. Geregeld laat de stoommachine van het schip het afweten, waardoor het schip dagen vertraging oploopt. Het leven aan boord is saai, de verveling en de hitte vaak ondragelijk. Bezoekjes aan de aanlegplaatsen doorbreken dit patroon, maar ook in plaatsen als Port Said en Point de Galles valt er voor de Couperussen niet veel te beleven. De zeereis is een oefening in afzien. Het is een opluchting als op 31 december 1872 in Batavia van boord kan worden gegaan.

Hoe anders is dat als Louis en Elisabeth Couperus vijftig jaar later de overtocht naar Java maken. In een sfeer van luxe en comfort varen op een uitstekend geoutilleerde mailboot naar het Oosten. Couperus put zich in zijn reisbrieven uit in loftuitingen voor het scheepspersoneel en zijn medepassagiers. Hij verveelt zich geen moment en geniet van de reis en het vooruitzicht straks in Indië en daarna in Japan te zijn. De reis verloopt als een zonnetje en Couperus lijkt volstrekt zorgeloos te zijn. De afwisseling aan boord is hem soms bijna te veel.

In werkelijkheid was de schrijver echter oververmoeid. In Japan –het land waarnaar hij zo had uitgekeken – bleek hij ernstig ziek te zijn. Hij belandde er in een hospitaal waar zijn artsen leverproblemen, een typische tropenkwaal, en een slechte longfunctie constateerden. Zeven weken lang lag hij in een ziekenhuis in Kobe. Toen het echtpaar naar Europa terugkeerde, had Couperus niet lang meer te leven. In oktober 1922 was de schrijver weer terug in Den Haag. Hij stierf op 16 juli 1923 in het Gelderse De Steeg. Zijn reisbrieven uit Indië werden na Couperus’ overlijden gebundeld in Oostwaarts (1923), die uit Japan in Nippon (1925). Recent is een prachtige heruitgave van Het snoer der ontferming bezorgd, waarin Louis Couperus een aantal Japanse sprookjes en legenden heeft gebundeld. De inspiratie voor deze bundel deed Couperus voor een belangrijk deel op tijdens zijn verblijf in Japan in 1922.