Aart G. Broek (1954), werkte langdurig op Curaçao en promoveerde op een onderzoek naar de propagandapraktijk van de rooms-katholieke missie op de Benedenwindse eilanden. Broek is auteur van onder meer 'De kleur van mijn eiland; ideologie en schrijven in het Papiaments' (2006), 'Geboeid door macht en onmacht; De geschiedenis van de politie op de Nederlands-Caribische eilanden' (2011) en 'Dwarsliggers; Tegenspraak onder schaamteloos leiderschap' (2013).
de columns van Aart G. Broek:
recente columns:
gepubliceerd op 26 november 2018
Herman de Man: pleitbezorger Curaçaose volkskunst

Op 14 november 1946 verongelukte de auteur en journalist Herman de Man. Hij was passagier van het vliegtuig dat op Schiphol een noodlottige landing maakte. Ruim een jaar voor zijn dood was hij uit Curaçao teruggekeerd. Daar had hij nog geen twee jaar de leiding over de Curaçaosche Radio Omroep (Curom) gehad.

Op 2 oktober 1943 was De Man op het vliegveld van Curaçao aangekomen. Na drie intensieve maanden van voorbereidingen nam hij op 2 januari 1944 de taak als omroepleider van de Curom over van zijn voorganger Arnold Kreps. Met de komst van De Man kon het aantal programmauren vrijwel verdubbeld worden tot meer dan veertig per week.  De veranderingen die De Man wenste aan te brengen in de programmering van het eerste en tot in 1954 enige radio-omroepstation op de Antillen legde hij de luisteraars voor in enkele korte bijdragen aan de omroepgids van de Curom.

In zijn bijdrage ‘Bij een nieuw programma‘ aan de Curom Gids van begin januari 1944 noemde De Man als een van de uitgangspunten van zijn programmering ‘verdraagzaamheid‘ en in het verlengde hiervan ‘gevarieerdheid‘ in programma-aanbod. De Man vertaalde dit in de praktijk onder meer naar een doelbewuste keuze vóór het Papiaments en een ruimere aandacht voor verhalen en liederen uit de lokale folklore. De volkswijsheid en taal van het eiland hadden stellig niet ontbroken op de radiozender, maar verkregen nog niet de waardering en zodoende de ruimte als onder het regime van De Man.

 

EIGENDOMMELIJKHEID

De Man liet zich in een lange bijdrage aan het tijdschrift Neerlandia - dat in de oorlogsjaren op Curaçao werd uitgegeven - uiterst lovend uit over wat hij aan ‘eigendommelijke cultuuruitingen’ leerde kennen op het eiland.

In het nummer van december 1944 schreef De Man onder meer: ‘In den loop van dit jaar hoorde ik eenige malen de primitiefste vormen van de Curaçaosche muziek, onder meer op Barber. Ik erken hier voluit: zelden heeft volksmuziek mij zo geboeid, het was zuiver, echt en van een verfijnd maatgevoel getuigend.’ De Man verwijst hier hoogstwaarschijnlijk naar de zogenaamde muzik di zumbi (letterlijk: muziek van geesten), die vooral buiten Willemstad in de landelijke gebieden werd gespeeld. Het belangrijkste muziekinstrument hiervoor was de benta. Dit instrument van Afrikaanse afkomst bestaat uit een gebogen tak van een taaie houtsoort, waarop de vezel van een kokosblad als snaar wordt gespannen. Eén der uiteinden van de snaar wordt zodanig tussen de geopende lippen gehouden, dat de mondholte als resonator kan dienen. Om de ijle tonen voort te brengen wordt de vezel in trilling gebracht door er met een stokje vlak bij de mond tegenaan te tikken. De toonhoogte wordt veranderd door de mondholte te vergroten of te verkleinen, wat gebeurt door bewegingen met de tong.

Niet minder lyrisch was De Man over de vertolking van oude kinderliedjes. ‘Ik heb voorts kinderen hooren zingen in de Landstaal. Zij zongen oude volkswijsjes, meestal kinderliedjes, die juist op de grens stonden uit het volksgeheugen te verdwijnen. Precies op tijd werden ze door den enthousiasten Curaçaoschen musicus Dodo Palm tot een drietal potpourri‘s saamgeregen en door den Curom uitgezonden. (...) Curaçao mag Mej. Nilda Jesurun Pinto, die deze liedjes en fragmenten bijeengaarde (...) recht dankbaar zijn; cultuurgoed mag niet verloren gaan. (…) Nog andere ervaringen deed ik in dat eerste jaar op. Het rhythme van vele kinderliedjes uit die drie potpourri‘s is zeker voor ons Europeesch oor niet alleen prachtig, maar uitermate moeilijk. Toch werden ze door de jongste meisjes van de radiokinderkoren in een volkomen maatzekerheid en gelijkheid gezongen.‘

 

MOEDERTAAL

De Man constateerde een grotere rijkdom aan ‘volkskunst‘ dan menigeen vermoedde en bepleitte het spoedig vastleggen ervan. ‘Het komt mij voor, dat hier een heerlijk arbeidsveld braak ligt voor een Curaçaoënaar die met mij het belang inziet van het vastleggen van dit cultuurgoed, vóórdat de bioscoopromantiek het vervaagt en uiteindelijk doet afsterven.‘

De Man voegde de daad bij het woord.  De uitbreiding in uren betrof voor een deel Papiamentstalige programma‘s.  Er kwam bovendien beduidend meer ruimte voor Latijns-Amerikaanse, Caraïbische en lokale muziek op de zender waar voorheen bovenal westerse klassieke en populaire muziek te beluisteren was.

Getuige zijn uitlatingen, waaronder in de Curom Gids van eind januari 1944, leek De Mans komst een moederlandse zegening en waren zijn voorgangers koloniale barbaren. Het Papiaments en het eilandelijke cultureel erfgoed zou schromelijk zijn verwaarloosd.  ‘Er zijn echt aandoenlijke bewijzen van instemming gekomen van personen voor wie de Curom voorheen een vreemd element was. Wij kunnen het betreuren, dat onze schoone Moedertaal – (d.w.z. het Nederlands) - alhier zoo weinig gekend wordt, maar wij kunnen het niet ontkennen.‘

 

ROOMS-KATHOLIEK

Met zijn uitspraken chargeerde De Man en bedoelde hij vooral ook zijn eigen komst te rechtvaardigen. Hij was op voorspraak van de rooms-katholieke gouverneur dr. Piet Kasteel en met de zegen van de rooms-katholieke missie vanuit Londen naar het eiland gekomen. Zijn reis en werkzaamheden werden betaald door de Nederlandse regering in Londen. Het was zonder meer de bedoeling dat het relatief nieuwe medium ‘radio’ een nadrukkelijker rooms-katholiek stempel kreeg en zodoende meer mensen zou bereiken. Daartoe was De Man, zelf rooms-katholiek, vooral ook aangetrokken.

De Curom was opgezet en uitgebouwd als particulier initiatief, met als krachtige motor van de organisatie voornoemde Arnold Kreps, een Nederlander werkzaam bij de raffinaderij. Passanten en op Nederland gerichte Antillianen vormden de luisterende ‘achterban’ van de Curom. Zij hadden niet op voorhand een specifieke genegenheid voor de rooms-katholieke macht, maar lijken zich er ook niet op enigerlei wijze vijandig tegenover te hebben gesteld. Desalniettemin, na jaren voortvarend te werk te zijn gegaan kreeg de zittende leiding in feite een brevet van onvermogen uitgereikt. De Man werd dan ook niet met open armen ontvangen en Kreps trad bij zijn komst direct af.

 

PINTO EN PERRENAL

Het was Kreps en de zijnen natuurlijk niet ontgaan dat onder ‘onze schoone Moedertaal’ op het eiland toch vooral het Papiaments werd verstaan en niet het Nederlands. De opvattingen van De Man waren niet geheel afwezig op de Benedenwindse eilanden, maar een bedrijvige pleitbezorger als deze programmaleider was toch een uitzondering in de jaren veertig. Hij kon daarmee aansluiten bij enkele bewonderenswaardige initiatieven waarvoor de Curom wel degelijk ruimte had gemaakt.

Nilda Pinto publiceerde in 1944 reeds Corsouw ta canta, een bundeltje met de drie Papiamentstalige potpourri‘s die de Curom eerder uitzond en bredere bekendheid gaf. In de daarop volgende jaren zou Pinto blijven werken aan het verzamelen van liederen en verhalen, wat onder meer resulteerde in de publicatie van Cuentanan di Nanzi, een bundel spinvertellingen (1952).

Een andere poging om een prestatie op het terrein van ‘het Papiamentse lied‘ aan de vergetelheid te ontrukken betrof de liederenbundel Cancionero Papiamento no. 1. Die was in 1943 tot stand gekomen door samenwerking van Jules de Palm, Pierre Lauffer en René de Rooy. De bundel verscheen onder de gemeenschappelijke auteursnaam Julio Perrenal, een samentrekking van hun namen. De eerste presentatie  van liederen vond plaats in de studio van de Curom toen De Man nog níet op het eiland vertoefde.

 

De uitlatingen van De Man deden in de ogen van zijn toenmalige landgenoten ‘de Nederlandse zaak‘ echter geen goed. Die landgenoten zagen hem dan ook zonder hartzeer vlak na de oorlog weer vertrekken. De ruimte voor de muzikale en andersoortige volksuitingen zou echter niet meer verdwijnen van de radio. De Mans pleidooi in Neerlandia en meer nog de ommezwaai bij de Curom hadden de lokale pleitbezorgers voor de AfroCuraçaose culturele erfenis – zoals Nilda Pinto, Jules de Palm en Pierre A. Lauffer - een hart onder de riem gestoken.

 

 

Noot: met dank aan Tim de Wolf die in zijn artikel ‘Julio Perrenal: miskende musici of wegbereiders’ (Nieuw Letterkundig Magazijn, 2017) wees op een gemankeerde interpretatie van de rol van Herman de Man zoals ik die beschrijf in de studie De kleur van mijn eiland; Ideologie en schrijven in het Papiaments sinds 1863 (Leiden, 2006).