Liesje Schreuders (Amsterdam, 1979) studeerde cum laude af in de literatuurwetenschap met een doctoraalscriptie over de representatie van het Italiaanse karakter in het werk van Louis Couperus en Henry James. Ze vervolgde haar studie in Rome. Voorts voltooide ze een master culturele antropologie en sociologie der niet-westerse samenlevingen met een scriptie over de cultuur van de Vijftigers. Ze publiceerde twee romans en verschillende korte verhalen. Ze doceert Nederlands als tweede taal en literatuurgeschiedenis in Amsterdam. Onlangs verscheen van haar hand een vertaling van ‘Finisterre’ van Eugenio Montale.
de columns van Liesje Schreuders:
recente columns:
gepubliceerd op 16 juli 2018
Fronski

Een goede vriendin kreeg een baby, die in de eerste tijd na haar geboorte voortdurend fronste. Dus gaf ze haar als bijnaam Fronski. "Fronski"’s echte voornaam was afgeleid van "Anna", dus op de een of andere manier leek de bijnaam wel te kloppen, al spel je Vronski kennelijk met een v of een w, maar nooit met een f.

Toen ik op babybezoek kwam en de bijnaam van het kind hoorde, moest ik aan de tijd denken dat Anna Karenina tot onze favoriete boeken behoorde – van de moeder van Fronski en van mij. We hadden het in gedeeltes aan elkaar voorgelezen, op besneeuwde winteravonden in bruine kroegen, jaren geleden, toen we zelf al lang geen kinderen meer waren maar ook nog lang niet dachten aan het krijgen ervan.

Voor mijn vriendin was het de eerste kennismaking met Anna, Levin, Stiva, Dolly, Kitty, Karenin en met Vronski, de zeven hoofdpersponen van het meest meeslepende liefdesverhaal uit de wereldliteratuur.

Vooral die ene scène kwam weer bij me op, ergens halverwege het tweede deel, waarin Anna en Vronski het voor het eerst met elkaar gedaan hebben. Nog nahijgend en verbijsterd liggen ze in elkaars armen. Het is een scène waar inderdaad wel om gefronst kan worden, want Vronski wordt erin afgeschilderd als een moordenaar en Anna als een lijk. Merkwaardige beeldspraak en niet geheel juist, zou je denken, voor de twee nog niet bekomen minnaars (Tolstoj had het zeker niet over "de kleine dood" toen hij hem verzon).

Een moordenaar en een lijk, wie zou dat hebben gedacht. Maar toen we die passage daar lazen, bij een warme kachel in het hart van het café, in het hart van de binnenstad, in het fin de siècle van twee eeuwen tegelijk, zaten we toch te oh-en en te ah-en, mijn vriendin en ik, alsof we supporters waren van Lokomitiva Karenina of van Dynamo Tolstoj. We waren namelijk nogal toegankelijk voor dat soort romantiek (at a tender age) en bevattelijk zelfs voor onjuiste affaires, of misschien wel juist voor de onjuistheid ervan; hoe sterker het romantische verhaal immers, hoe beter.

Ik weet niet meer of we op dat moment zelf affaires hadden of ambieerden met getrouwde dan wel ongetrouwde mannen of vrouwen; hoe dan ook vonden we in Tolstojs consequent volgehouden dubbele moraal en dat wat in 1976 met een mooi woord ’circumsexualocutie’ werd genoemd een prestatie van wereldformaat. We schaterden het uit en schmierden bij elk eufemisme, met als hoogtepunt de volgende zin, die het waard is om uit je hoofd te leren:

 

’Wat voor Wronski bijna een jaar lang de enige wens van zijn leven was geweest, die al zijn andere wensen had verdrongen, en wat voor Anna een onbereikbare, beangstigende, maar des te verlokkender droom van geluk was geweest, was werkelijkheid geworden.’

 

Vronski’s daaropvolgende gesoebat met de steeds hysterisch wordende Anna en met zijn eigen status, de treurige waarheid dat hun scharrel nooit in een kwarrel, laat staan in een maatschappelijk gesanctioneerde relatie (ook wel: huwelijk) kon worden omgezet, was voor ons een sensatie. Hoe was het mogelijk dat een schrijver zich zo kon inleven in wat hij ten diepste afkeurde?

’Oe-ah,’ deed mijn vriendin.

’Ah-oe,’ antwoordde ik.

Helaas zat het hele café vol Dostojevski-aanhangers. Schuld en boete, duivelse uitdrijvingen en witte nachten, ze hadden er de mond van vol. Het zei ons allemaal niets. Een van de aanhangers begon een, in onze ogen, miezerige preek over christelijke huichelarij, hoe die vooral niet te verdragen viel in een stilist als Tolstoj.

’Wie huichelt er nou?’ vroeg mijn vriendin.

Nu is Levin, Tolstojs alter ego, natuurlijk ook een beetje een mallerd. Hij is de ware held van het boek dat heet naar iemand anders, iemand die hij maar één keer heeft ontmoet. Hij is tot over zijn oren verliefd op een meisje van dertien, maar als hij het meisje niet kan krijgen, wordt hij verliefd op haar zusje van twaalf. Hij vindt het erg jammer dat hij niet met het boerenmeisje kan trouwen waar hij ook al verliefd op is, maar waarom dat niet kan, vermeldt de geschiedenis niet.

Als Levin dan die fameuze Anna Karenina ontmoet over wie iedereen het heeft, gevallenste aller gevallen vrouwen, wordt hij natuurlijk ook meteen verliefd op háár. Maar hij laat haar bijna op hetzelfde moment weer vallen als een baksteen, omdat zijn eigen vrouw een jaloerse scène schopt; niet omwille van hemzelf, maar omdat Anna, zoals Levin heel goed weet, Vronski ooit van haar, Levins vrouw, heeft afgesnoept.

Die Vronski toch!

Levin is dus voortdurend verliefd op de verkeerde. Én hij is de held van het verhaal. Anders dan Vronski heeft Levin, als je tussen de regels door leest, een grondige hekel aan vrouwen en hij eindigt dan ook als godvruchtige pater familias, prevelend tot God. Wat trouwens volkomen terecht is, want alle vrouwen in zijn omgeving zijn mislukte moeders, hoeren of heksen.

Nee, dan Pierre. Met geen literair personage ter wereld heb ik het ooit zo goed kunnen vinden als met de bastaard-turned-superhero Pierre Bezoechov. Hij die eens een politieagent op een beer bond, die aan het eind van het verhaal alle aanslagen en fusillades als enige heeft overleefd, die de Berezina overtrekt in het gezelschap van Napoleon en een zekere Plato, de onwillekeurige aanstichter van revoluties en de "voorvoelder", als dat een woord is, van alles wat nog komen gaat en wat het einde zal betekenen van hemzelf, zijn klasse en zijn wereld. Identificatie is er niets bij! Ik lijk niet alleen op Pierre, ik ben Pierre. Op het detail na dan, dat niet alles in mijn omgeving om mij draait en ik niet het einde voorvoel van mijzelf, mijn wereld en mijn klasse (nóg niet, zeg ik er meteen maar bij), maar dat maakt niet uit, want daar ben ik mij wel bewust van, precies zoals Pierre Bezoechov zich niet bewust kon zijn van het feit dat hij de hoofdpersoon was van het verhaal, de held van wat Oorlog en vrede heet.

Dat heft elkaar dan weer op.

Maar nu even serieus. Ik kan me als lezer niet alleen in Pierre verplaatsen – zo goed dat ik zijn gedachten kan voorspellen, zijn woorden formuleren nog voor hij ze heeft uitgesproken – nee, ik droom Pierres dromen en ik leef Pierres leven. Ik ben bijvoorbeeld vaak in de veronderstelling dat ik onhandig en verlegen ben in het gezelschap van anderen (vooral anderen die met Autoriteit zijn bekleed), maar sommige kwaadsprekers vinden dat ik me juist te gemakkelijk beweeg tussen mensen van vreemd allooi, en zij nemen mij daardoor niet heel serieus. Wat ik weer vreselijk vind, maar volkomen terecht.

Ik ben kortom een sul (en eentje van de goede soort). Ik hol altijd achter de feiten aan, of wat ik daarvoor aanzie, ik kan niet relativeren, ik ben de eeuwige tegenpool van de zelfverzekerde Einzelgänger die ik oprecht bemin en bewonder, maar ik ben veel liever in mijn eentje dan hij, mijn vriend, mijn dubbelganger – in mijn Engelse kamerjas, met mijn Franse wijn en Russische bediende. Ik laat, als ik patience speel, mezelf winnen, maar ik geef het mezelf ook ruiterlijk toe. Ik weet niet hoe ik met omstandigheden moet omgaan die niet bij me passen, maar de omstandigheden zelf staan voortdurend op het punt van veranderen en die veranderingen vóór te zijn, op de een of andere manier, dat is wat ik noem mijn levenstaak.

Maar wat is er toch gebeurd, in de tijd die als onkruid opschoot tussen mijn leven en dat van de onuitstaanbare Konstantin Dmitritsj ’ik wou dat ik mezelf niet was’ Levin?

Dat vraag ik me af, als ik in de toekomst kijk. Ik ben nog geen vrijmetselaar, dat niet, maar ik weet zeker dat ik nooit met Natasja Rostova zal trouwen. Heel jammer! Het betekent namelijk dat ik überhaupt nooit zal trouwen, want Natasja Rostova is mijn enig mogelijke huwelijkspartner. En Natasja is, op de keper beschouwd, veel minder uit de verf gekomen dan ik. De tijdverf, de doodverf.

Ik heb mijn Natasja ten minste nog niet gevonden, niet tussen de mensen van mijn tijd en niet in de toekomst; ik ben bang dat ze is uitgestorven onder de vrouwen en nooit heeft bestaan onder de mannen.

Net als Kitty uit Anna Karenina is Natasja een van die figuren die maar niet tot leven willen komen, simpelweg omdat ze nooit hebben geleefd. Ze zijn niet echt, ze tolereren geen identificatie van de mens (lezer of schrijver) met zichzelf. Natasja en Kitty zijn negentiende-eeuwse fantasievriendjes, spookbeelden, kinderlijke geestverschijningen van alles wat ik, Pierre, in mezelf heb gemist of verworpen.

Nee, dan Fronski! In Fronski kan ik geloven. Ik zie haar ook nu weer duidelijk voor me, onschuldig, lachwekkend; een baby’tje met een diep plooitje boven haar ogen, met roze babywangen en een groot, blond babyhoofd wiebelend op een onzichtbaar nekje – een prachtexemplaar, echt. En dat plooitje of frons heeft ze geërfd van haar vader, schijnt, die zeekapitein is, maar het is deels ook een natuurlijk gevolg van de geboorte.

Dat legde mijn vriendin me ten minste uit, die keer dat ik op baby-bezoek kwam (ik had nog geen kinderen, kon me geen voorstelling maken van bijvoorbeeld een hoofd dat zich door het geboortekanaal wringt,waardoor er een rimpel achterblijft op de plek waar de meeste druk wordt uitgeoefend) – maar het zou vanzelf wel weer normaal worden, voegde ze eraan toe.

En inderdaad: inmiddels is het meisje met de naam die op "Anna" lijkt geen "Fronski" meer – en ben ik geen Pierre meer. Dat besef ik nu pas. Tegelijkertijd weet ik – of wil ik mezelf ervan overtuigen – dat Natasja altijd Natasja zal blijven. God hebbe haar ziel!