Tanja Simons is taalkundige. Zij werkt bij de opleiding Nederlands van de Universiteit Leiden en is secretaris van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.
recente columns:
gepubliceerd op 8 februari 2019
Een geheimtip

Een poosje geleden kreeg ik een e-mail met de stelling dat de auteur Cyriel Buysse (1859-1932) ten onrechte ontbreekt op de lijst met 108 beste Nederlandse auteurs. De lijst is het resultaat van een enquête uit 2002 onder onze leden en fungeert als een canon van de Nederlandse literatuur. Volgens de pleitbezorger van Buysse, zou de auteur op gelijke hoogte staan met zijn vriend Couperus, en dezelfde kracht hebben als 19e-eeuwse Russische schrijvers. Ik antwoordde dat het ontbreken van Buysse op de lijst uiteraard niet betekent dat hij er niet toe doet. Daarop liet de Buysse-fan mij weten dat hij mij en de Maatschappij alleen maar een plezier had willen doen met deze ‘geheimtip’ en vroeg me of ik Buysse eens onder de aandacht wilde brengen. Ach ja, waarom zou ik niet voldoen aan zo’n verzoek? Probleem was echter dat ik weliswaar de naam Buysse ken, en hem weet te plaatsen in de tijd, maar nog nooit iets van hem had gelezen. Hoe kan het dat ik niet aan Buysse heb gedacht toen ik afgelopen zomer door Vlaanderen fietste en werk van allerlei Vlaamse auteurs las? Het zal de waan van de dag wel zijn, want ik las die zomer ook niets van Walschap, Boon of Claus, maar wel van Hertmans, De Stoop, Spit en Verbeke. Toen ik velden met pas geoogst vlas passeerde, dacht ik dan wel aan De Vlaschaard van Stijn Streuvels, maar ook dat werk heb ik niet gelezen. Nu ik mij begon te schamen, besloot ik toch maar eens iets te lezen van Buysse. Het werd Tantes, een roman uit 1924 (in 2005 in herdruk verschenen in een teksteditie van Yves T’Sjoen met een verhelderend nawoord van Anne Marie Musschoot).

Het verhaal speelt zich af aan het begin van de 20e eeuw en gaat vanzelfsprekend over tantes. Het zijn er drie – Clemence, Estelle en Victoire –, ze zijn ongehuwd en domineren de familie: de neef of nicht die een ander levenspad kiest dan de tantes willen, verspeelt het recht op een aanzienlijke erfenis. Nicht Adrienne wordt verliefd op de losbol Raymond die door de tantes wordt gezien als een parvenu. De relatie heeft dan ook nauwelijks kans van slagen, zodat Raymond geen andere keus ziet dan Adrienne te schaken. Tijdens de vluchtpoging wordt zij echter vanwege de hoogoplopende spanning door hysterie bevangen, waarna zij voor de rest van haar leven in een gesticht belandt. Nu heb ik het niet zo op hysterische vrouwen in de literatuur, maar misschien steekt Buysse juist de spot met dit ‘cliché’ en moet ik de waanzin als ironie opvatten. De schaakpoging met nare afloop beslaat trouwens maar enkele pagina’s aan het slot van de roman, Buysse besteedt de meeste tijd aan het beschrijven van de familieverhoudingen, en de omgang met het personeel, en dat doet hij met verve. Veel van de vermakelijke dialogen zijn in dialect geschreven. Dat dialect is over het algemeen goed te volgen – je hoort de personages bijna praten – maar een enkel woord bleef toch wat duister voor me, want wat bedoelt Buysse met cipieren en irreweetsjes (p. 68)? Uit de context kon ik opmaken dat het om voedsel gaat, maar wat werd er dan precies gegeten? Ik was niet de enige die zich dit afvroeg, bleek toen ik de woorden in Google intypte nadat het WNT geen uitkomst bood: een scholier stelde dezelfde vraag op een culinair forum (culinesse à gogo op Forum.fok):

 

Heujjjj!

We lezen nu een boek voor nederlands, wat zich en tijd terug speelt, nml in de 18/19e eeuw. Er wordt in het boek een stukje (west)-vlaams dialect gesproken. En daar krijgt een van de personen op een gegeven moment: Cipieren en Irreweetsjes Kan iemand mij vertellen wat dit zijn?

 

De scholier krijgt twee reacties: de eerste zegt dat met irreweetsjes erwtjes bedoeld worden, wat mij aannemelijk lijkt. De tweede reactie oppert dat cipieren voor siepels (uien dus) staan, maar dat geloof ik niet, de vorm siepel is eerder Nedersaksisch en (West-)Fries dan Vlaams. Misschien wordt met cipieren een aardappelras bedoeld, aardappels geteeld op Cyprus? Hoe het ook zij, het feit dat deze roman kennelijk verplichte kost is (of was) op een middelbare school stemt hoopvol, evenals het feit dat een leerling zich tot op detailniveau afvraagt wat er nu eigenlijk staat. Vooralsnog lijkt Buysse niet vergeten te zijn. Bovendien komt zijn naam voor op de in 2015 samengestelde canon van de Nederlandse literatuur vanuit Vlaams perspectief. Of Buysse op de lange duur nog gelezen zal worden, weet ik niet. Op dit moment klinkt overigens de roep om een meer diverse canon. Wie waagt het daar een ‘witte man’, afkomstig uit de gegoede klasse, aan toe te voegen? U kunt zijn werk natuurlijk gewoon blijven lezen, aanvaard mijn geheimtip.