Dr. Feike Dietz is universitair docent en onderzoeker bij de afdeling Vroegmoderne Nederlandse letterkunde van het departement Talen, Literatuur en Communicatie van de Universiteit Utrecht. Vanaf september 2016 geeft zij leiding aan het onderzoeksproject ‘Language Dynamics in the Dutch Golden Age’. Daarnaast werkt zij aan een project over de training en verbeelding van geletterdheid in vroegmoderne jeugdboeken.
de columns van Feike Dietz:
recente columns:
gepubliceerd op 17 december 2018
Een boek in de zak

Dit jaar vier ik de decembermaand in de wetenschap dat ik volgend jaar een kind zal hebben om de feestvreugde mee te delen. De onrust slaat nu al toe: hoe stel ik paal en perk aan de berg cadeaus waarmee een kind in die feestmaand doorgaans overladen wordt? Nieuw is dat opvoedkundige dilemma niet. Ik lees in Mirjam van Leers Geven rond Sinterklaas dat het al eeuwenlang traditie is dat jonge kinderen met Sinterklaas niet alleen verwend worden door hun ouders, maar ook door opa’s, oma’s, tantes, ooms en buren. Maar de hoeveelheid en de omvang van de cadeaus is wel substantieel toegenomen: mijn ongeboren baby kreeg met Sinterklaas al een cadeau dat ongeveer vijf keer zo groot is als hijzelf op dit moment. Hoe houd je dit als ouders in de hand?

Ik hoorde onlangs dat in Amerika de four gift rule in trek is als remedie tegen de present overload. Die regel houdt in dat een kind in december ‘maar’ vier cadeaus ontvangt (uiteraard in Amerika met Kerstmis in plaats van Sinterklaas): one thing they want, one thing they need, one thing they wear, one thing they read. Dat idee spreekt me wel aan, al ben ik misschien nóg meer te porren voor een four things they read-principe, vanuit de overtuiging (of ijdele wens?) dat kinderen boeken niet alleen lezen maar ook graag willen (what they want) en bovendien nodig hebben (what they need).

Ik ben zeker niet de enige voorstander van een boek als Sinterklaascadeau: in 2016 was het boek volgens het CPNB hier in Nederland zelfs het populairste geschenk op 5 december. Dat succes wordt natuurlijk in de hand gewerkt door slimme marketingstrategieën van uitgevers en boekverkopers, die ervoor zorgen dat er in december stapels verse boeken beschikbaar zijn die via advertenties en tips-lijstjes worden aangeprezen als producten die iedereen wil en nodig heeft.

Tijdens mijn onderzoek naar achttiende-eeuwse jeugdliteratuur verbaas ik me er regelmatig over in hoe een lange traditie die commerciële aanpak van uitgevers en boekverkopers wortelt. Soms kreeg eeuwenoud drukwerk al expliciet de titel ‘Sinterklaasgeschenk’ mee om klanten op de functionaliteit te wijzen en tot kopen aan te zetten. Zo verscheen in 1662 St. Niklaesgift. Bestaende in bevallige kodderyen, met een paginagrote titelillustratie van de heilige als aandachtstrekker. In de tweede helft van de achttiende eeuw, toen het onder druk van opbloeiende Verlichte opvoedingsidealen steeds gebruikelijker werd om kinderen beloningen en cadeaus te geven, speelde de rap commercialiserende jeugdboekenmarkt steeds geraffineerder in op de Sinterklaascadeautraditie. Zo stond op 5 december 1780 in de marge van de Oprechte Haerlemsche courant een advertentie afgedrukt voor Lieve van Ollefens Uitmuntende verzaameling van fabelen en vertelselen, enz., nadrukkelijk aangeprezen als een boekje dat ‘ten uiterste wel geschikt [was] voor een nuttig ST. NICOLAAS GESCHENK’. De Haagse uitgever Pieter Servaas, een ander voorbeeld, publiceerde vanaf 1766 jaarlijks rond Sinterklaas een St. Nicolaes Almanach, een goedkoop geproduceerde kruising tussen een prentenboekje en een almanak voor het nieuwe jaar. De link met het Sinterklaasfeest werd in zijn serie niet alleen gelegd via de titel, maar ook via de terugkerende titelpagina waarop te zien was hoe Sinterklaas, te paard en gehuld in bisschopshabijt, lekkers en gebruiksvoorwerpen rondstrooide voor de voeten van vrolijke kinderen.

De serie van de St. Nicolaas Almanach legt een interessant mechanisme bloot waarvan we ons vandaag de dag nog steeds bewust moeten zijn: het Sinterklaascadeauboek stelt een bepaald type jeugdige ontvanger aanwezig. Negatiever gesteld zou je kunnen zeggen dat zo’n Sinterklaascadeauboek een ontvanger een identiteit opdringt.

Servaas doet dat bijvoorbeeld via een vierregelig gedichtje onder de titelpagina:

 

Hier doet ons Sinter Klaas weer aan zyn dag gedenken,

Nu hy de kind’re koek en marsepeyn wil schenken.

Maar zagt houw op en werpt geen suyker meer nog prik,

Een jonge juffer die begeert geen houte klik.

 

Jeroen Salman en Eugenie Boer, die eerder over de Sinterklaasalmanakserie schreven, wezen er al op dat Servaas niet zozeer kleine kinderen maar (ook) een ouder jeugdig publiek voor ogen moet hebben gehad met dit vers. In het gedichtje wordt namelijk een ‘jonge juffer’ opgevoerd die nadrukkelijk geen snoepgoed of speelgoed meer wil (geen ‘suyker’, ‘prik’: priktol, ‘houte klik’: houten klaas). Wat zij wél begeert als huwbare jongedame wordt niet expliciet gemaakt, maar de suggestie dringt zich op: een man. Het gedichtje lijkt te refereren aan het Sinterklaasfeest als een gelegenheid waarbij jonge vrijers op liefdespad gingen. Al in de Middeleeuwen werden er populaire kermisachtige Sinterklaasmarkten georganiseerd, met kraampjes waarbij huwbare jeugdigen lekkers kochten voor hun geliefde. In de achttiende eeuw hadden die markten plaatsgemaakt een minder openbare traditie waarbij jongemannen met Sinterklaas een meisje anoniem snoepgoed bezorgden als symbool voor hun (heimelijke) liefde – een soort Valentijnsdag avant la lettre. Het lijkt erop dat Servaas met zijn onderschrift zijn almanak in de markt zette als een aantrekkelijk alternatief voor suikergoed: een Sinterklaascadeau dat jeugdige ontvangers in de rol van jeugdige verlangers plaatste.

Toen de gebroeders Gimblet uit Gent enkele decennia later aanhaakten bij Servaas’ almanaktraditie – nu onder de titel Nieuwen aengenaemen en nuttigen St. Nicolaes Almanach (1798-1803) – kopieerden zij de titelpagina in beeld en tekst, maar schrapten daarbij de laatste twee regels van het gedichtje, waardoor de verwijzing naar de verlangende jongedame verdween en Sinterklaas zich enkel ontpopte als schenker aan (jonge) kinderen. Bij het tweede deel van hun Nieuwen St Nicolaesalmanak introduceerden de Gimblet-broers zelfs een geheel nieuw onderschrift. De jonge ontvangers kregen nu expliciet de identiteit aangemeten van braaf lerende kinderen die hun geschenken moesten verdienen: het boekje was het loon voor goed gedrag.

 

Siet hoe SINT NICOLAES, de Kinderen komt beloonen,

Met Koek, en Marsepyn, Oranien suyker soet:

Aen al die leeren wilt, zal hy syn mildheyd toonen;

Maer die niet leert, krygt niet, van al dit lekker goed.

 

Terwijl de ontvangers hier een morele identiteit kregen aangemeten, schreef de Sinterklaasalmanaktraditie op andere momenten ook expliciet een politieke identiteit aan de beoogde doelgroep toe. Dat gebeurde toen de serie van de St. Nicolaas Almanach in de politiek bewogen jaren tachtig van de achttiende eeuw werd overgenomen door Servaas’ collega J.F. Jacobs de Agé, eveneens werkzaam in Den Haag. De almanak uit 1789 werd expliciet aangeboden aan de ‘jonge jeugd’ en hen ‘die Patriotten haaten’. En in 1792: ‘Zeer interessant voor de Jonge Jeugd, / Tot Willems Eer en Oranjes Deugd’. Ook de inhoud van de almanak stuurde de jonge lezers in de richting van Oranjegezindheid: in Jacobs de Agé’s almanakken waren liederen te vinden waarin de Oranjes werden geprezen en de patriotten aangevallen, en vaderlandse geschiedenissen waarin de heldendaden van de Oranje stadhouders werden geaccentueerd.

Wat kunnen voorstanders van een four things they read-cadeauregel meenemen uit deze geschiedenis van de Sinterklaasalmanak? Dat het Sinterklaascadeauboek een commercieel, moreel en politiek instrument is. Dat dat niets nieuws onder de zon is. En misschien dat geen ouder de illusie kan hebben zich te onttrekken aan de gewiekste strategieën van de decembercadeaumarkt?

 

 

[Zes edities van de St. Nicolaes Almanach worden bewaard in het Gemeentearchief Den Haag. De website van de KB geeft een korte beschrijving en toont de hier besproken titelpagina. De St. Nicolaes Almanach is eerder beschreven in: Salman, Jeroen, ‘“Die ze niet hebben wil mag het laaten”: Kinderalmanakken in de achttiende eeuw’. In: Literatuur 17 (2000), p. 76-83 (zie hier); Boer, Eugenie, ‘Sint Nicolaas in het ‘oude’ kinderhoek’. In: Literatuur zonder leeftijd 8 (1994), p. 123-136 (zie hier). Edities van de Nieuwen aengenaemen en nuttigen St. Nicolaes almanach, voor het jaer ons heere Jesu-Christi 1798 bevinden zich in de universiteitsbibliotheek in Gent. De genoemde studie van Mirjam van Leer: Leer, Mirjam van, Geven rond Sinterklaas. Een ritueel als spiegel van veranderende relaties. Amsterdam 1995. De advertentie uit de Oprechte Haerlemsche courant is afgedrukt in: Salman, Jeroen, ‘“Om tot presentjes aan kinderen te geven”. Het kinderboek in de achttiende-eeuwse boekhandel’. In: Berry Dongelmans, Netty van Rotterdam, Jeroen Salman en Janneke van der Veer (red.), Tot volle waschdom. Bijdragen aan de geschiedenis van de kinder- en jeugdliteratuur. Den Haag 2000, p. 75-86, 284 (zie hier).]