Aart G. Broek (1954), werkte langdurig op Curaçao en promoveerde op een onderzoek naar de propagandapraktijk van de rooms-katholieke missie op de Benedenwindse eilanden. Broek is auteur van onder meer 'De kleur van mijn eiland; ideologie en schrijven in het Papiaments' (2006), 'Geboeid door macht en onmacht; De geschiedenis van de politie op de Nederlands-Caribische eilanden' (2011) en 'Dwarsliggers; Tegenspraak onder schaamteloos leiderschap' (2013).
de columns van Aart G. Broek:
recente columns:
gepubliceerd op 1 maart 2018
Die zonder zonde is

Christiaan Joseph Hendrikus Engels werd op 19 november 1907 in Rotterdam geboren. Na zijn studie medicijnen in Leiden vertrok hij in 1936 naar Curaçao, waar hij zich in 1939 definitief vestigde en op 20 december 1980 door een verkeersongeluk overleed. Engels behoort – in de woorden van de Posterijen Nederlandse Antillen - tot de `Personen die zich voor de Antilliaanse gemeenschap verdienstelijk hebben gemaakt`. De Posterijen wijdden in 1996 een postzegel aan Engels in een jaarlijkse serie `lokale persoonlijkheden`.

In de folder die de serie begeleidt, worden Engels` wapenfeiten opgesomd, terwijl op de zegel een vijftal symbolen Engels` vakmanschap verbeeldt: dat van arts, schrijver (met name onder het pseudoniem Luc. Tournier), schermer, schilder en musicus. Hieraan hadden nog symbolen toegevoegd kunnen worden, die verwijzen naar zijn bemoeienis met de geschiedenis van de Nieuwe Wereld, de Indiaanse invloeden op het Papiaments, de architectuur, de archeologie, het museumwezen en naar zijn werkzaamheden als uitgever/redacteur van De Stoep, het Nederlandstalige tijdschrift dat tussen 1940 en 1951 op Curaçao verscheen.

Vóór Engels aan zijn indrukwekkende carrière op het eiland kon beginnen, werd hij er echter bijna afgestuurd.

 

VERHOUDING

Op 30 maart 1939 ontving de Gouverneur van het gebiedsdeel Curaçao, G.J.J. Wouters, een indringend advies. De directeur van de Openbare Gezondheidsdienst, dr. P. I. Henriquez, en de procureur-generaal, mr. F. A. Jas, lieten hem weten dat  zij ‘het er over eens [zijn], dat de toelating van den arts Engels tot de uitoefening van de praktijk in Curaçao door Uwe Excellentie behoort te worden ingetrokken op grond van handelingen, welke het vertrouwen in den stand der geneeskundigen ondermijnen.’

Het handelen betrof de ‘ongeoorloofde verhouding’ die Engels had gekend met zijn patiënte J. M. (Annie) van der Meer-Sjamaar, de echtgenote van mr. S. W. (Steef) van der Meer. Zij waren beiden gelijktijdig met Engels en zijn vrouw op het eiland aangekomen. Het echtpaar Engels was in 1936 onder de hoede van de rooms-katholieke missie naar het eiland afgereisd. Engels werd er op 17 september van dat jaar ‘tot de uitoefening van de geneeskundige praktijk’ toegelaten. Na het overlijden van zijn vrouw in oktober 1937 en haar begrafenis in Nederland, keerde hij eind december van dat jaar terug naar het eiland. De amoureuze affaire ontstond in januari 1938 en zou in maart al worden afgebroken.

Van der Meer diende een aanklacht in. Mr. Jas tekent met de nodige dramatiek zijn overtuiging dat Engels misbruik maakte van de kwetsbaarheid van de vrouw. ‘De omstandigheden zijn rijp voor haar val. [Engels] heeft weinig scrupules en weet hoe haar te behandelen. Zij zoekt hem en geeft zich geheel aan hem over, doch de verhouding beklemt haar zeer. In deze periode wordt zij ziek; gedurende haar ziekte, waarin dr. Engels haar behandelt, wordt de ongeoorloofde verhouding voortgezet.’ Op een gegeven moment schrijft de arts, vanwege een verkoudheid, zelfs ‘een slaapmiddel aan den echtgenoot dier patiënte’, waardoor een ongestoord verpozen mogelijk zou zijn geworden.

Zodoende zou Engels het vertrouwen in de stand van de eilandelijke geneeskundigen hebben ondermijnd. Het beschamen van dat vertrouwen was van dien aard dat Jas en Henriquez de gouverneur adviseerden om van zijn bevoegdheid gebruik te maken ‘de verleende toelating tot de uitoefening der geneeskunst in te trekken.’

 

CONSEQUENTIES

Jas en Henriquez zijn niet de enige deskundigen die zich over de zaak-Engels buigen, ook de medicus Ch. Winckel wordt gevraagd zijn mening te geven over de consequenties die worden getrokken. De bestraffing van Engels wordt, zo constateert hij, feitelijk ingegeven door het juridisch ontbreken van een alternatieve ‘correctie’.  De ‘intrekking der toelating tot uitoefening der geneeskunst` lijkt de enige optie.

Winckel vindt de bestraffing ‘te zwaar’. Hij komt met een voorstel waardoor Engels praktisch een ‘schorsing’ van tijdelijke duur als straf krijgt opgelegd. De toelating van Engels tot de uitoefening van de medische praktijk op het eiland wordt wel ingetrokken, maar hij zal ‘na verloop van zes maanden opnieuw  om toelating mogen verzoeken’.

De voorzitter van het Antilliaanse Hof van Justitie, dr. C. Süthoff, die eveneens als adviseur optrad gaat nog een stapje verder dan Winckel. Hij meent dat zelfs een schorsing te zwaar een bestraffing is. Een berisping zou op zijn plaats zijn. Het is zijns inziens niet zo overtuigend bewezen, dat er een slaapmiddel werd voorgeschreven en zo dit wel het geval was, is het nog maar de vraag of dit gebeurde `met de bedoeling mr. Van der Meer tijdelijk onschadelijk te maken teneinde vrij spel te hebben met diens echtgenoote.’

Op 26 april 1939 maakte gouverneur Wouters de volgende aantekening: ‘Dokter Engels heb ik ernstig onderhouden en hem medegedeeld dat als hij zich aan dergelijke feiten als het in dit dossier bedoelde meer schuldig maakt, ik zijne toelating tot uitoefening der practijk in het gebiedsdeel Curaçao zal intrekken.’

Geen gouverneur heeft Engels de toestemming ontnomen om een medische praktijk uit te oefenen. De zaak-Engels werd gesloten, verdween voor decennia in het ‘geheim archief’ dat in Fort Amsterdam, Willemstad, huisde.

 

Deze bijdrage is gebaseerd op een beschouwing uit mijn bundel Schaamrood (Haarlem: In de Knipscheer, 2017), waarin ook een verantwoording. De titel van de bijdrage verwijst niet alleen naar een uitspraak van Jezus (Johannes 8: 7, Bijbel), maar is ontleend aan het gedicht ‘De zee’ van Chris Engels, dat hij opnam in zijn bundel Doffe orewoed (Amsterdam, 1948; p. 59): De zee, die zonder zonde is, / heeft leven, heeft livrei en vis; / zij is gekleurd met duizend ogen, / nooit bedachtzaam, steeds bewogen.