Michiel van Kempen (1957) is bijzonder hoogleraar Nederlands-Caraïbische Letteren aan de Universiteit van Amsterdam, mede namens de Vereniging KITLV. Hij schreef tal van studies over Surinaamse en Antilliaanse literatuur, in boekvorm en in tal van tijdschriften, o.m. de 'Spiegel van de Surinaamse poëzie' (1995), het tweedelige 'Een geschiede­nis van de Surinaamse literatuur' (2003) en 'Shifting the Compass; Pluricontinental Connections in Dutch Colonial and Postcolonial Literature' (Cambridge 2013). Onlangs verscheen een omvangrijke biografie van Albert Helman, 'Rusteloos en overal' (In de Knipscheer 2016).
de columns van Michiel van Kempen:
recente columns:
gepubliceerd op 9 februari 2018
De dichter van één keer per jaar

Van het meest curieuze boekje in mijn Caraïbische collectie kan ik niet zeggen hoe het heet. Het heeft namelijk geen titel, het kent geen paginering, het heeft geen plaats en jaar van uitgave, er wordt geen uitgever vermeld, geen ISBN. Alle teksten staan in kapitalen en in cursief, alleen het vierregelige voorwoordje en een dankwoordje zijn niet cursief gezet, wèl in kapitalen. Kortom: dit is een boekje dat titelbeschrijvers radeloos zou maken. Toen ik in de jaren ’90 samen  met Kees van Doorne werkte aan de Suriname-catalogus van de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam kostte het ons altijd de grootste moeite om titels die niet bij een officiële uitgeverij waren uitgekomen toch beschreven te krijgen. Maar we hielden vol. Alle grote dichters en schrijvers uit het Nederlands-Caraïbisch gebied hadden immers werk in eigen beheer uitgebracht: Boeli van Leeuwen, Michael Slory, Frank Martinus Arion, Shrinivási, Tip Marugg, Astrid Roemer, Pierre Lauffer, Bea Vianen en ga zo maar door. Dat er geen uitgever bij te pas kwam in  Suriname, Curaçao, Aruba…, betekende nog niet dat het om onbelangrijk werk ging.

Wie is de auteur van het titelloze bundeltje dat ik hier onder de aandacht breng? Onder het voorwoordje en het dankwoord staat de auteursvermelding: NAR. Ik heb geen idee wie dat moet zijn, al vermoed ik dat NAR de afkorting is van een hindostaanse naam: Narain, Narinder, Naresh, Narayan.  Een Surinamer, hij spreekt ook over ‘MIJN SURINAME’ en er komen Surinaams-Nederlandse gerechten, geografische aanduidingen en hindostaanse namen voorbij, en Surinaams-Nederlandse taalwendingen zoals het gebruik van “schreeuwen” in: ‘GISTER HEEFT ASHWIEN/ ME GESCHREEUWD’. Heeft NAR zelf model gestaan voor de foto op het zwart-witte omslag die een zittende man met zonnebril laat zien die zijn armen uitstrekt naar de camera en zijn handboeien toont? De foto roept het beeld op van een verwarde junkie en past goed in een tijd van heroïnegebruik met boekjes als Het witte monster van Mau Fabri, uitgebracht in 1976 door de Werkgroep voor Arbeidersliteratuur, uit Rotterdam natuurlijk.  Ook het titelloze bundeltje bevat een gedicht dat ‘HEROINE’ heet, maar het boekje is een paar jaar ouder. Het is wel duidelijk dat het in Nederland is uitgebracht. De kwaliteit van het drukwerk is beter dan wat er rond 1980 in Suriname werd gedrukt en de meeste van de acht zwart-witfoto’s lijken ook in Nederland gemaakt, in ieder geval die van een jongetje voor een NS-trein. Er zijn ook duidelijke migrantenmotieven in de gedichten aan te wijzen, zoals in het gedicht ‘RASCISME’ (de spelfout is in lijn met het beeld van de andere gedichten; ik heb de dichter niet kunnen betrappen op één foutloos gedicht).

De bundel moet naar mijn inschatting verschenen zijn eind 1981 of begin 1982. In één gedicht is er sprake van het jaar 1980 – een verwijzing naar de coup in Suriname – en in een ander gedicht komt de dood van Mahes ter sprake, een verwijzing naar de moord op 7 oktober 1981 op de kleinlandbouwer Detá Mahes, waarover Bram Behr (zelf slachtoffer van de decembermoorden in 1982) de brochure Terreur op Uitkijk schreef, een uitgave van de ‘Surinaamse Arbeiders Publikaties in samenwerking met het Comité tegen Onrecht en Terreur’. De titelloze bundel geeft gedichten met een expliciet politieke lading, als protest tegen armoede, moorden, corruptie, neokolonialisme en militarisme. Dat wijkt dus al met al naar inhoud noch vorm erg af van wat er aan politieke poëzie in de Caraïbische hoek van de jaren ’70 en ’80 geschreven werd, schor en machteloos taalgebrul dat eigenlijk allemaal wel bij het ongepagineerd oud papier had gekund. Had, want er is hier één gedicht dat zich in alles onderscheidt van de andere, bijvoorbeeld in het ontbreken van taalfouten en in het ontbreken van gebrul. En laat dat nu net het openingsgedicht zijn. Het is van een Cees Buddingh’-achtige eenvoud en draagt als titel EEN KEER PER JAAR:

 

MIJN MOEDER WACHT

VAN 8 TOT 5

ZE HEEFT GEEN TIJD OM

MIJN BROERTJE TE

VOEDEN

EN ZE KRIJGT FL 10,-

PER DAG.

 

MIJN MOEDER IS

LIEF ALS ZE

LACHT

IK HEB HAAR NOOIT

HOREN HUILEN

ZE ZEGT DAT

ZE LACHT OM

NIET TE HUILEN

MIJN VADER ZIE IK

EEN KEER PER JAAR.

 

Ik denk dat dit gedicht geen kapitalen nodig heeft en ook geen cursief, maar daar moet de lezer maar doorheen kijken. En het enjambement dat er wat willekeurig uitziet, moeten we de dichter maar vergeven; het geeft de tekst wat hakkeligs, dat wel past bij de tragiek van wat er wordt gezegd. De dichter heeft op geen enkele manier iets van poëzie opgedrongen aan dit tekstje. En daarom is het poëzie geworden.

Ik ken geen andere bundel van deze NAR. Dat past op een eigenaardige wijze wel in het beeld dat de bundel oproept en op de verlatenheid van het geciteerde versje. NAR heeft er alles aan gedaan om zijn bundel onzichtbaar te laten zijn. Er is bij mijn weten geen bibliotheek die het op de plank heeft staan en zoekmachines kunnen met een drieletterige auteursnaam niet uit de voeten. Hoe zou je ooit zo’n boekje in de boekhandel moeten bestellen? Maar met dat ene versje verovert hij wat mij betreft toch een heel smal plekje in de poëzie, ‘Eén keer per jaar’, één keer in zijn leven.