Lieke van Deinsen (1987) doet onderzoek op het snijvlak van de literatuur-, cultuur- en kunstgeschiedenis. Zij is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de KU Leuven en de Vrije Universiteit waar zij werkt aan haar NWO Rubicon-project ‘Female Faces, Intellectual Identities’. Zij promoveerde in 2017 aan de Radboud Universiteit op ‘Literaire erflaters. Canonvorming in tijden van culturele crisis’ (Verloren). Eerder verscheen van haar hand ‘The Panpoëticon Batavûm. The Portrait of the Author as a Celebrity’ (Rijksmuseum).
recente columns:
gepubliceerd op 2 november 2018
Ademende verf

Onlangs verwierf het Mauritshuis een nieuw schilderij van de zeventiende-eeuwse dichter, diplomaat en geleerde Constantijn Huygens. Het werk verbeeldt een stenen nis – rijkelijk versierd met architectonische details, schelpmotieven en een kleurenpracht aan bloemen – waarin de gebeeldhouwde portretbuste van Huygens is geplaatst. De voorstelling is het resultaat van een samenwerking van twee schilders uit de Zuidelijke Nederlanden: De Antwerpse kunstenaar Jan Cossiers vervaardigde het grisaille portret en zijn stadsgenoot Daniël Seghers voegde – in zijn karakteristieke stijl – de wat overweldigende omlijsting en florale kleurenpracht toe. Laatstgenoemde schonk het werk aan Huygens die het onderbracht in zijn Haagse stadspaleis. Daar zou het nog tot ver na Huygens’ dood te zien zijn. In 1828 verdwenen het schilderij van de radar, om pas dit weer op te duiken in een particuliere verzameling.

Bloemencartouche rond een buste van Constantijn Huygens (1644) is volgens mij niet alleen een aanwinst voor de Nederlandse museumwereld om de esthetische kwaliteit van het werk maar minstens zozeer om het karakteristieke beeld dat het schilderij geeft van een van de politieke, intellectuele en literaire voormannen van onze Gouden Eeuw. Met de keuze om Huygens te verbeelden als een klassiek geïnspireerde, gebeeldhouwde buste – met op de sokkel zijn schrijversmotto ‘Constanter’ – werd de geportretteerde nog bij zijn leven tot ‘monument’ gemaakt. De voorstelling is een unieke toevoeging aan de reeds bekende beeltenissen van de dichter-diplomaat en benadrukt voor mij eens te meer dat de beeldvorming en receptie van schrijvers eveneens een sterke visuele kant kent. Dit aspect van schrijverschap dreigt, mijns inziens, nog te vaak te ontsnappen aan het oog van de primair op tekst gefocuste literatuurhistoricus. En dat terwijl het auteursportret, het centrale onderwerp van het onderzoek dat ik de komende jaren mag uitvoeren, volgens mij toch een (letterlijk) tot de verbeelding sprekend element van ons letterkundige verleden is.

 

Lezen boven zien

De – niet verbazingwekkende – voorkeur voor het woord boven het beeld van veel literatuurliefhebbers bestond overigens al in de tijd van Huygens zelf. Hoewel het beeldgedicht, een poëtische beschrijving van een kunstwerk, ongekend populair werd in de vroegmoderne tijd bleken niet alle beoefenaars van het genre de toegevoegde waarde van het auteursportret te zien. Het schilderij dat Cossiers en Seghers van Huygens maakten, ontlokte aan de – nu volledig vergeten – Amsterdamse dichters Simon Ingels bijvoorbeeld de volgende versregels:

 

Op de Afbeelding

van de

Heer van Zuylichem, &c.

Van Cossiers, voor P. Zegers

 

Carmina major imago sunt tua

Ovid. El.6. Tristium.

 

Cossiers en schilder Huygens niet

Gelyk hem al de Werelt ziet:

De Trony is ’t geringste van

Dien onnasporelijken Man,

En daar hy ’t minst schijnt naar te swijmen.
Die Huygens zien wil, lees zijn Rijmen.

 

Ingels’ woorden laten weinig aan de verbeelding over. Met de versregels en het strategisch uit Ovidius gelichte motto (‘uw verzen zijn groter dan uw beeld’) beklemtoont hij dat wie de echte Huygens wil leren kennis zijn portret beter links kan laten liggen en diens dichtwerken ter hand moet nemen.

 

‘Vergis je niet: dit schilderij ontbeert taal noch stem’

De geportretteerde zelf zal de mening van Ingels niet gedeeld hebben. De talloze beeldgedichten en reflecties die Huygens tijdens zijn leven op zowel zijn eigen als de portretten van anderen schreef, zijn te lezen als een pleidooi voor de (soms zelf letterlijke) zeggingskracht van het portret. In zijn autobiografie noteerde hij alvast over het werk van portretschilders: ‘zij [verrichten] een nobel werk, dat meer dan iets anders voor onze menschelijke behoeften allernoodzakelijkst is, omdat wij door hun toedoen in zekere zin niet sterven en nog als nakomelingen met onze verste voorvaderen vertrouwelijk kunnen spreken’. Zijn ogenschijnlijk statische portretten herbergden volgens Huygens niet uitsluitend een (en al dan niet realistische) weergave van de lichamelijke mens, maar zij boden eveneens een inkijk in diens geest en zielenwereld. Hij verwoordde dit misschien nog wel het mooist in enkele Latijnse versregels die hij schreef op het iconische portret dat Jan Lievens van hem maakte, en die door Jürgen Pieters als volgt vertaald zijn:

 

Vergis je niet: dit schilderij ontbeert taal noch stem;

Zo was het gezicht van de mediterende Huygens.

Als je er de ziel in zoekt, zal je haar zien ademen

Op voorwaarde dat je met hetzelfde oog kijkt als Lievens.

 

Hoewel de verf het lichaam verbeeldt, ademt zij – voor de goede verstaander – de geest.

Dit lijkt me een gedachte om vast te houden. En als ik binnenkort voet zet in het Mauritshuis om het schilderij in levende lijven te bewonderen, doe ik dit graag in de geest van Huygens en laat ik mij verleiden tot een gesprekje met de mij zo bewonderde dichter. Ik ben benieuwd wat hij te zeggen heeft.